Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.A.6.3
II.A.6.3 De "verbindende eenzijdige belofte' van Ca uffman
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402645:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
CORNELIA WENDEL, Der Unilateral Contract, Eine rechtsvergleichende Untersuchung zwischen dem englischen und US -amerikanischen Recht und dem deutschen Recht (diss. Passau 2003), Frankfurt am Main: Peter Lang 2005. Een 'Unilateral Contract' is, aldus de samenvatting op de achterzijde van het boek (vgl. p. 269-272): 'ein spezielles Rechtsinstitut des englische undUS- amerikanische Rechts: Er ist ein zweiseitiger Vertrag uber einen Leis-tungsaustausch, bei dem sich nur eine der Parteien zur Leistung verpflichtet. Damit scheint er weder in die vertragsrechtliche Dogmatik noch in den Rechtsalltag zu passen.' Zie voor het Nederlandse recht de bijzondere wijze van totstandkoming van de overeenkomst van schenking in art. 7:175 lid2 BW
H.C.F. SCHOORDIJK,WPNR (20 0 6) 6673, p. 526.'Vroeger' zou men op een tentamen burgerlijk recht hier wellicht een 'zware' onvoldoende voor krijgen. Thans heet dit, denk ik: 'briljant.' H.C.F. SCHOORDIJK,WPNR (2006) 6654, p. 133 legt de vinger op de zere plek als hij de sprekende vraag stelt: 'Mogen wijde bronnen van verbintenissen zo gescheiden denken als tot dusverre geschiedt?' Anders gezegd en toegespitst op de onderhavige problematiek: 'Wat is het verschil tussen de bron verbintenis uit overeenkomst en de erfrechtelijke verbintenis ''quasi-overeenkomst?'' Het enkele feit dat de verbintenis op een later moment (na het overlijden) tot standkomt verandert de spelregels als zodanig toch niet?'
CAROLINE CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005, p. 554.
Parl. Gesch.Vast. Boek 4, p.772. Het betreft de toelichting op art. 4:123 BW. Een bepaling over de toepassing van de 'maatstaven van redelijkheid en billijkheid'.
Wie sterk hangt aan het klassieke onderscheid eenzijdige rechtshandelingen en meerzijdige rechtshandelingen, leze de reeds aangestipte Europees privaatrechtelijke dissertatie van Caroline Cauffman, De verbindende eenzijdige belofte, of de rechtsvergelijkende beschouwingen over het 'Unilateral Contract',1 van CorneliaWendel.
Het recht is nu eenmaal niet zwart-wit en zeker niet (meer) in het 'redelijkheids-en billijkheidsmillennium'. Zo hamert Schoordijk,2 in een andere context, bijvoorbeeldop het feit dat de grenzen tussen het contractuele en het buitencontractuele denken (anders dan de klassieke rechtsleer gewend is) niet te scherp getrokken dienen te worden. Hij geeft hierbij het (in het licht van aansprakelijkheid) sprekende voorbeeld van iemand die in een winkel over een bananenschil uitglijdt.
Terug naar de 'quasi-overeenkomstgedachte'. Steun hiervoor vind ik (vanuit het Zuiden) ook bij Cauffman3 als ik lees:
'Er zijn immers niet-mededelingsplichtige rechtshandelingen die eenzijdig zijn wat betreft hun totstandkoming en meerzijdig wat betreft hun gevolgen.
Hiermee bedoelt men dat een individu soms de bevoegdheid heeft om door een eenzijdige rechtshandeling in te grijpen in de rechtssfeer van een ander. Dit zou het geval zijn voor het testament. Door zijn eenzijdige wilsuiting gecombineerd met de wet draagt de testator vanaf zijn overlijden een aantal rechten en verplichtingen over op de legataris.'
Hiervoor zou men mutatis mutandis kunnen lezen de executeurbenoeming. Deze is weliswaar een eenzijdige rechtshandeling wat de totstandkoming betreft, doch wat betreft de daaruit voortvloeiende verbintenissen meerzijdig. Zo kan uit een door erflater gestelde eenzijdige rechtshandeling een meerzijdige erfrechtelijke verbintenis voortvloeien. Indien een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst van opdracht wordt aanvaard vlak voor het overlijden van erflater (en zelfs met toepassing van art. 6:222 BW vlak na het overlijden) is er sprake van'echte' verbintenissen uit wederkerige overeenkomst. Waarom zouden de betreffende regels niet ook op de eenzijdige rechtshandeling met 'meerzijdige' verbintenissen van toepassing zijn? Hoogstens verdient de positie van de schuldeisers rondom de nalatenschap extra aandacht. Dit laatste doet echter niet af aan de interne aard van de opdracht. Het feit dat het moment waarop de binding ontstaat na het overlijden van de erflater gelegen is, staat er niet aan in de weg op de ontstane rechtsverhouding de regels toe te passen, die toepasselijk geweest zouden (kunnen) zijn als de rechtsverhouding nog tijdens het leven van de erflater totstandgekomen was. Dat erflater nog niet gebonden is, hangt samen met het feit dat de relatie tussen erflater en executeur er een is die op vertrouwen gebaseerd is. Juridische binding verdraagt zich in beginsel niet met het 'vertrouwen mortis causa'.
Interessant is ook de door de wetgever4 met betrekking tot legaten tegen inbreng geventileerde gedachte, die eveneens naadloos past in de gedachte van het erfrecht als bron van verbintenissen:
'Anders ligt het in het geval, dat artikel 5a beoogt te regelen. Door het legaat ontstaat een verbintenisrechtelijke verhouding, welke op eenlijnmoetworden gezien met de verbintenisrechtelijke verhouding, die uit een overeenkomst ontstaat. Met het oog op het contractenrecht wordt artikel 6.5.3.11 voorgesteld, waarvan de regeling in artikel 5a met het oog op de daarin geregelde materie wordt herhaald. Er zij op gewezen dat artikel 6.5.3.11 het begin kan vormen van een rechtsontwikkeling, welke zich thans niet laat voorzien (Curs. BS).'
Vooral de laatste zin nodigt uit om op het gekozen pad door te gaan. De 'erfrechtelijke verbintenis': een rechtsontwikkeling die zich thans niet laat voorzien?