Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.6:1.1.6 Meerdere bedrijfsmatige gebruikers: de leden 2 en 3 van art. 6:181
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.6
1.1.6 Meerdere bedrijfsmatige gebruikers: de leden 2 en 3 van art. 6:181
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297950:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de leden van de carnavalsvereniging neemt in het kader van de werkzaamheden aan de praalwagen de houtbewerking voor zijn rekening. Tijdens het gebruik dat hij daartoe maakt van de cirkelzaag, openbaart zich een verborgen gebrek: plotseling schiet van het draaiende apparaat een onderdeel los, met een forse beschadiging aan het plafond van de loods tot gevolg. De plaatselijke bouwmarkt heeft de (gebrekkige) cirkelzaagmachine tegen betaling beschikbaar gesteld voor gebruik door de carnavalsvereniging. Wie draagt de aansprakelijkheid van art. 6:173 voor de schade aan het plafond van de loods? Gezegd zou kunnen worden dat de cirkelzaag ten tijde van de schadeveroorzaking door zowel de bouwmarkt als de vereniging in de uitoefening van haar ‘bedrijfsactiviteiten’ werd gebruikt. Kan de benadeelde eigenaar van de loods zowel de bouwmarkt als de vereniging op grond van art. 6:173 jo. 181 tot schadevergoeding aanspreken? Lid 2 van art. 6:181 beoogt hiervoor een regeling te geven: worden de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken en dieren in de uitoefening van een bedrijf gebruikt ‘door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander’, dan is alleen ‘die ander’ de uit hoofde van art. 6:181 lid 1 aansprakelijke.1 De eigenaar van de loods die schade lijdt door de gebrekkige cirkelzaag kan zich op kwalitatieve grondslag dus enkel tot de vereniging als ‘eindgebruiker’, en niet tevens tot de bouwmarkt, wenden. Het moge duidelijk zijn dat ook hier het ontbreken van een gelijktijdige aansprakelijkheid van beide ‘gebruikers’ wrang voor benadeelden kan uitpakken. Vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming – in de zin van het vergroten van de verhaalsmogelijkheden – zijn daarom evenzeer kanttekeningen bij (de systematiek van) lid 2 van art. 6:181 te plaatsen.
Bezien we nog het transportbedrijf dat tegen vergoeding een tijdelijk ‘overbodige’ veewagen aan de carnavalsvereniging beschikbaar stelde. Wanneer de voorzitter bij het clubhuis het paard uit de inmiddels losgekoppelde veewagen leidt, bezwijkt plotseling een van de deuren van de veewagen. Deze komt met het volle gewicht terecht tegen een van de benen van het paard, waardoor dit dier een blijvende blessure oploopt. Op wie kan de benadeelde paardenbezitter zijn pijlen richten voor het verkrijgen van schadevergoeding?2 De carnavalsvereniging gold op het moment van het voorval als ‘eindgebruiker’ van de gebrekkige veewagen. Of zodoende ook in dít geval de vereniging ex art. 6:181 jo. 173 dé kwalitatief aansprakelijke is – en niet (mede) het transportbedrijf als verhuurder –, is niet volstrekt duidelijk. Omstreden is namelijk of lid 2 van art. 6:181, vanwege een expliciete verwijzing in de wetsgeschiedenis naar huur en leasing,3 alleen ziet op gevallen waarin de activiteiten van het ‘uitlenende’ bedrijf bestaan uit het aan anderen ter beschikking stellen van zaken of dieren dan wel in het algemeen het geval van meerdere bedrijfsmatige gebruikers beoogt te regelen. Uitgaan van het eerste zou meebrengen dat het transportbedrijf, dat kort gezegd bepaald geen verhuurbedrijf of leasemaatschappij is, door het ter beschikking stellen van de veewagen ingevolge lid 2 van art. 6:181 niet is bevrijd van de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 173. Gelijktijdige aansprakelijkheid van het transportbedrijf én de carnavalsvereniging lijkt dan mogelijk. Uitgaan van de laatste, ruimere uitleg van lid 2 van art. 6:181 zou met zich brengen dat ook in geval van het ‘incidenteel’ of zelfs maar eenmalig aan anderen ter beschikking stellen van zaken of dieren, de ‘uitlener’ profiteert van de concentratie van aansprakelijkheid op grond van lid 2 van art. 6:181 bij ‘de laatste in de keten’. De brede betekenis van het precieze toepassingsgebied van lid 2 van art. 6:181 valt goed te illustreren aan de hand van een bedrijfssector als de bouw, waarin het niet ongebruikelijk is dat eenmaal ter beschikking gesteld materiaal zoals een steiger of gereedschappen, nadien van hand tot hand gaat in diverse (tussen)schakels. Gedacht kan ook worden aan het gebruik van zaken in concernverband of in anderszins onderling gelieerde bedrijven. Van een concentratie van aansprakelijkheid bij steeds de laatste in de keten zou gezegd kunnen worden dat dit de ‘overzichtelijkheid’ van alle betrokkenen (benadeelden, betrokken bedrijven, aansprakelijkheidsverzekeraars) ten goede komt. Gelijktijdige aansprakelijkheid van alle (schakels in de keten van) betrokken bedrijven zou daarentegen de benadeelde ruimere verhaalsmogelijkheden bieden, terwijl deze dan ook niet voor de lastige opgave komt te staan de (juiste) keuze te maken voor één van hen.