De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.4:4.4 Commentaar
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.4
4.4 Commentaar
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387688:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kan in de hierboven samengevatte jurisprudentie een lijn worden gezien en is deze relevant voor de Nederlandse rechtspraktijk? Mij vallen drie thema’s op.
Het eerste punt is het verschil in de beoordelingen van de vraag naar aanwezigheid van een hiërarchie tussen Europese en nationale medezeggenschapsprocedures. Die hiërarchie kan zowel zien op de rangorde tussen de procedures als op het tijdsaspect. In de zaken Renault, Gaz de France, British Airways en Goodyear Dunlop werd in kort geding de schorsing van (de uitvoering van) een strategisch besluit van een communautaire groep afgedwongen. Bij Goodyear Dunlop en GDF Suez oordeelde de rechter dat de Europese ondernemingsraad vooraf geconsulteerd had moeten worden, niettegenstaande de uitdrukkelijke erkenning dat tussen de Europese en nationale consultatieprocedures geen rangorde bestaat. De vorderingen in de zaken Alcatel-Lucent en Continental, die waren gebaseerd op vergelijkbare stellingen over een vermeende hiërarchie in medezeggenschapsprocedures, werden afgewezen. Is dit een kwestie van onvoldoende uitgekristalliseerde jurisprudentie?
Wellicht moet onderscheid worden gemaakt in de procespartijen: de zaken Renault, Gaz de France en British Airways werden aanhangig gemaakt door een Europese ondernemingsraad, althans door een op een artikel 13-overeenkomst berustend comité. Hierin richtte het oordeel van de rechter zich dus op de positie van de Europese ondernemingsraad zelf, zonder dat de noodzaak bestond een oordeel over een hiërarchie in procedures uit te spreken. In de zaken Goodyear Dunlop en GDF Suez lag het initiatief bij de nationale ondernemingsraad. Hierin ontkwam de rechter niet aan een duidelijk oordeel over de vraag of die raad zich terecht op het standpunt stelde dat eerst de Europese ondernemingsraad geconsulteerd moest worden, voordat deugdelijke consultatie op nationaal niveau kon plaatsvinden. De voorzieningen in Alcatel- Lucent en Continental werden door respectievelijk de Europese en de nationale ondernemingsraad gevorderd, maar in beide gevallen afgewezen vanwege het oordeel van de rechter dat bij die besluiten niet kon worden aangenomen dat de Europese ondernemingsraad als eerste geconsulteerd moest worden. Dit onderscheid in procespartijen is mijns inziens overigens onvoldoende om verschillende uitkomsten te rechtvaardigen.
Waarin ligt mogelijk het verschil tussen de uitspraken inzake Goodyear Dunlop en GDF Suez enerzijds en Alcatel-Lucent en Continental anderzijds? Ik meen dat het antwoord ligt in de juridische grondslag die in de relevante procedures is gekozen. Ik maak onderscheid tussen (1) uitspraken waarin de kwaliteit van de relevante consultatieprocedure aan de orde was en (2) procedures die zijn gebaseerd op de meer algemene stelling dat tussen Europese en nationale consultatieprocedures een hiërarchie bestaat. In dat laatste geval ligt de vordering van de werknemersvertegenwoordigers voor afwijzing gereed. Als in het geheel niet is voldaan aan Europese consultatieverplichtingen, of als de kwaliteit van de procedure tekortschiet, kan dat onder omstandigheden anders liggen. Zelfs wanneer de rechter onderkent dat een hiërarchie ontbreekt, kan de schending van medezeggenschapsverplichtingen toch leiden tot de noodzaak om eerst het Europese consultatietraject te doorlopen voordat de nationale ondernemingsraad zich moet uitspreken. De juridische basis wordt dan gevonden in het nuttig effect van de richtlijn enerzijds en het vereiste dat de nationale ondernemingsraad voldoende moet zijn geïnformeerd anderzijds.
De oorzaak van de tekortkoming in het nakomen van de medezeggenschapsverplichtingen kan verschillen. In Gaz de France ging het om de kwaliteit van de informatievoorziening aan de Europese ondernemingsraad zelf; over het transnationale karakter van het strategische besluit bestond geen verschil van mening. Dat lag in de zaken British Airways, Goodyear Dunlop en GDF Suez anders: in de eerste twee moest de rechter aan de hand van de stukken concluderen dat een ogenschijnlijk op zichzelf staand nationaal besluit deel uitmaakte van een meeromvattend Europees plan; in het laatste geval moest de rechter oordelen over de vraag of het besluit nu betrekking had op een vestiging in één of in twee lidstaten. De uitleg van de rechter was in die gevallen in het voordeel van de werknemersvertegenwoordigers.
Het tweede punt van aandacht is de vraag wat dit alles voor de Nederlandse rechtspraktijk te betekenen heeft. Over de toepassing van de Europese medezeggenschapsregels worden weinig procedures gevoerd, maar uit de hier besproken zaken blijkt dat dit in het merendeel van de gevallen succesvol was. In Nederland is – buiten de hierna te bespreken zaak Equant – in het geheel niet over de nakoming van Europese consultatieverplichtingen geprocedeerd. De buitenlandse (Europese) ondernemingsraden in Frankrijk, Duitsland en België lijken over een grotere mate van procesbereidheid te beschikken.
Een mogelijke verklaring kan de onbekendheid met de jurisprudentie van buitenlandse rechters zijn die in Nederland bestaat. Hoewel niet per uitspraak te achterhalen valt welke uitwerking deze in de praktijk heeft gekregen, volgt uit die rechtspraak dat de Europese ondernemingsraad soms een sterkere positie kan hebben dan in Nederland wordt gedacht. Deze uitspraken zijn in de regel slechts onvertaald gepubliceerd, of zelfs in het geheel niet. In de Nederlandse literatuur lijkt weinig belangstelling voor Europese medezeggenschap te bestaan en stelselmatige documentatie van buitenlandse uitspraken blijft achterwege.
Een andere verklaring kan de verschillende positie zijn waarin de Nederlandse Europese ondernemingsraad zich kan bevinden, vergeleken met de buitenlandse: bij sommige strategische besluiten over de Nederlandse communautaire onderneming of groep zal naast het advies van de Europese ook dat van de Nederlandse ondernemingsraad benodigd zijn. Op dat laatste is het regime van artikel 25 en 26 WOR van toepassing, dat een uniek stelsel van rechten biedt dat in andere Europese landen niet geldt. Een goede samenwerking tussen de twee raden kan er dan toe leiden dat zij eerder in de besluitvorming worden betrokken.
Volgens Verburg is de Europese ondernemingsraad in de afgelopen jaren daadwerkelijk van de grond gekomen en meer zijn rol gaan opeisen. Ik sluit niet uit dat die ontwikkeling in de toekomst ook in de Nederlandse jurisprudentie merkbaar zal worden. Ik schat dat er meer geschillen komen over de oprichting van een Europese ondernemingsraad, nu slechts de helft van de daartoe in aanmerking komende ondernemingen in Nederland hiertoe is overgegaan en de gewijzigde definities uit de WEOR ruimte laten voor interpretatie. Daarnaast verwacht ik een toename in geschillen over de kwaliteit van de informatie- en consultatieprocedures in Nederland. Daarbij kunnen de resultaten van werknemersvertegenwoordigers in het buitenland als inspiratie dienen. Dergelijke procedures zouden door Nederlandse Europese ondernemingsraden tegen het hier gevestigde (fictieve) hoofdbestuur ingevolge artikel 5 WEOR kunnen worden ingesteld.
Geschillen kunnen zich ook voordoen tussen de buitenlandse Europese ondernemingsraad en de Nederlandse werknemersvertegenwoordigers. Bij een voorgenomen besluit van een buitenlands hoofdbestuur dat zich mede of in hoofdzaak richt op de Nederlandse concernonderdelen kan de Europese ondernemingsraad een andere, positievere, opvatting hebben dan de Nederlandse werknemers, bijvoorbeeld omdat de buitenlandse Europese ondernemingsraad het concernbelang voor ogen moet houden of het besluit hem te weinig raakt. De Europese medezeggenschap vormt dan in zekere zin een gevaar voor de Nederlandse werknemersbelangen. Bij daaruit voortvloeiende geschillen meen ik niet dat het advies van de Europese ondernemingsraad bindend is voor de positie van de Nederlandse ondernemingsraad, maar een positief advies op Europees niveau zal die laatste zeker niet helpen in zijn (proces)positie.
Voorts is het mogelijk dat een Nederlandse ondernemingsraad in een beroepsprocedure (terecht) het standpunt inneemt dat, in de omstandigheden van het geval, een deugdelijke informatievoorziening inhoudt dat eerst de Europese ondernemingsraad wordt geraadpleegd en over het voorgenomen besluit adviseert, althans dat informatie uit een Europese consultatieprocedure met de Nederlandse ondernemingsraad wordt gedeeld, voordat hij zelf zijn advies behoeft te geven. Een dergelijk verweer acht ik – gezien de hier besproken lijn die in de jurisprudentie van buitenlandse rechters te zien valt – niet zonder kans van slagen.
Een derde aandachtspunt betreft de effectiviteit van de sanctie die gesteld is op schending van Europese medezeggenschapsrechten. De Nederlandse wetgever gaat ervan uit dat artikel 5 WEOR voorziet in een sanctie die voldoende effectief is en daardoor voldoet aan het vereiste uit de richtlijn. Ik denk dat die veronderstelling terecht is, zeker nu een bevel tot naleving met een dwangsom kan worden versterkt. Ik voeg daaraan toe dat naleving van de WEOR ook door de Nederlandse ondernemingsraad langs de band van artikel 26 WOR kan worden afgedwongen. Die middelen zijn in mijn ogen effectiever dan een veroordeling tot betaling van schadevergoeding of boete, zoals in het buitenland wel voorkomt. Wanneer een dergelijke veroordeling niet wordt gecombineerd met een schorsing van het besluit of een andere vorm van opschorting van de uitvoering ervan, zal het hoofdbestuur in de regel graag kiezen voor betaling van het verschuldigde bedrag, zeker wanneer dat relatief gering is.