Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/2.8.2.1
2.8.2.1 Twee categorieën
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS349767:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Noot Scholten onder HR 25 november 1927, NJ 1928/364 (Kretzschmar/Mendes de Leon), p. 369.
Ook toen het debat over de persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan na een rustperiode van ca. 25 jaar eind jaren ’70 weer opleefde, sloten auteurs zich in meer of mindere mate aan bij deze categorisering van Scholten. A-G Koopmans schreef in zijn conclusie voor het OvJ-arrest (NJ 1993/ 165 m.nt. C.J.H. Brunner, G.J.M. Corstens) dat de officier van justitie die op grond van een onjuiste lezing van een bepaling uit het Wetboek van Strafvordering hem niet toekomende bevoegdheden had uitgeoefend, in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk was omdat de betreffende norm zich tot de Staat als rechtspersoon richtte en niet tot de officier van justitie persoonlijk. Daarnaast leidde Brunner uit de jurisprudentie af dat de vertegenwoordiger niet persoonlijk aansprakelijk is indien hij een vermeend recht van de rechtspersoon heeft uitgeoefend of gehandhaafd. Zie Brunner (losbl.) 1989, nr. 188.
Beekhuis 1934, p. 62.
Volgens Scholten moet bij de beantwoording van die vraag worden gelet op de aard van de norm en de aard van de handeling.1 Indien de aard van de norm meebrengt dat uitsluitend de rechtspersoon deze kan overtreden en de aard van de handeling impliceert dat de handeling door de rechtspersoon wordt verricht, is persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan uitgesloten. Bij de aard van de norm dient bezien te worden tot wie de overtreden norm zich richt. Indien het een wettelijk voorschrift betreft dat zich (enkel) tot de rechtspersoon richt, dan is persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan volgens hem in beginsel niet aan de orde. Scholten noemt daarbij het voorbeeld van de bouwvergunning die ten onrechte wordt geweigerd. De regels die daarop betrekking hebben, richten zich enkel tot de gemeente als publiekrechtelijke rechtspersoon. Indien er fouten worden gemaakt bij de toepassing van die regels, dan is in beginsel enkel de gemeente aansprakelijk omdat hij alleen de gemeente een norm kan overtreden die tot haar is gericht. Bij de categorie ‘aard van de handeling’ noemt Scholten het geval waarin het orgaan een vermeend recht van de rechtspersoon handhaaft. Indien bijvoorbeeld blijkt dat het orgaan het eigendomsrecht van de rechtspersoon ten onrechte heeft geponeerd waardoor een derde benadeeld is, dan is enkel de rechtspersoon aansprakelijk. Scholten onderbouwt dit door erop te wijzen dat de strijd omtrent het bestaan van dat recht zich tussen de rechtspersoon en de derde afspeelt en niet tussen het orgaan en de derde.2 Voor beide categorieën van gevallen maakt Scholten met betrekking tot het uitgangspunt dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is een uitzondering indien het orgaan bij zijn gedragingen zorgeloos is geweest of te kwader trouw heeft gehandeld. Zelfs ingeval de overtreden norm zich niet tot het orgaan richt en er sprake is van de handhaving van een vermeend recht van de rechtspersoon, is het orgaan in deze opvatting persoonlijk aansprakelijk indien het daarbij in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld. De persoonlijke aansprakelijkheid wordt in dat geval aldus gegrond op de overtreding van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm die volgens Scholten te allen tijde, voor eenieder en bij elk handelen geldt. Beekhuis heeft hieruit afgeleid dat er een algemene rechtsplicht bestaat om ‘iemand niet te kwader trouw, of in de wetenschap, dat de handeling volgens de bevoegde autoriteiten een onrechtmatig karakter draagt, schade toe te brengen’.3 Bij schending van deze zorgvuldigheidsnorm kan de bestuurder zich dus in deze gedachtegang niet achter de rechtspersoon verschuilen.