Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.4.2.2
4.2.4.2.2 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291346:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 35 en 36 (Gmina Wrocław II) en HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19, V-N 2021/12.12, r.o. 55 (Gmina Wrocław III).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 37 (Gmina Wrocław II) en HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19, V-N 2021/12.12, r.o. 56 (Gmina Wrocław III).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 38-41 (Gmina Wrocław II) en HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19, V-N 2021/12.12, r.o. 54-57 (Gmina Wrocław III).
De bestuurlijke indeling van Polen kent naast de rijksoverheid drie bestuurslagen: de gmina (gemeente), de powiat (district) en de województwo (woiwodeschap). Een miasto na prawach (districtsstad) is een gemeente die de taken van een district uitoefent. In districtsteden is de burgemeester niet alleen het uitvoerend orgaan van de gemeente, maar heeft hij ook alle bevoegdheden die door de wet worden toegekend aan het uitvoerend orgaan van een district (bijv. de bevoegdheid vastgoed te beheren). In de zaak Gmina Wrocław II gaat het om de onteigening van gemeentelijk vastgoed waarbij de burgemeester van deze districtsstad in twee verschillende hoedanigheden betrokken is.
HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19 V-N 2021/12.12, r.o. 57 (Gmina Wrocław III).
In HR 1 april 2016, nr. 14/04619, BNB 2016/155, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 5.4 (Van der Wijk/Staat der Nederlanden) zijn partijen van dit standpunt uitgegaan. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid of de Hoge Raad het standpunt van partijen onderschrijft.
In gelijke zin: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 163, D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, p. 65-66 en R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 20. Anders: MvT, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 1-3, p. 16, MvA, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 5, p. 14, D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 124 en A. van Dongen e.a., Omzetbelasting (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 2003, p. 57.
In Nederland zal de eigendom na inwerkingtreding van het Wetsvoorstel Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet overgaan op de onteigenende partij door inschrijving van de notariële onteigeningsakte in de openbare registers. Die akte wordt opgesteld nadat de onteigeningsbeschikking van de onteigenende partij definitief is geworden door de onherroepelijke bekrachtiging van deze beschikking door de (bestuurs)rechter, het bestuursbesluit dat ten grondslag ligt aan de onteigening (bijv. het bestemmingsplan) onherroepelijk is en de volledige voorlopige schadeloosstelling is betaald. Zie over deze nieuwe regels voor onteigening in Nederland: J. Sluysmans, ‘Nieuwe regels rond onteigening’, NJB 2019/580, J.W. van Zundert, ‘Een nieuwe rol voor de notaris: de onteigeningsakte’, WPNR 2019/7247, p. 538-540 en J.W. van Zundert, ‘Wegwijs in het nieuwe omgevingsrecht’, BR 2020/22, p. 153-154.
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 44 (Gmina Wrocław II) en HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19, V-N 2021/12.12, r.o. 59 (Gmina Wrocław III).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 45 (Gmina Wrocław II) en HvJ EU 25 februari 2021, zaak C-604/19, V-N 2021/12.12, r.o. 61 (Gmina Wrocław III).
Conclusie A-G Bobek 22 februari 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/11.20.19, punt 68 (Gmina Wrocław II).
Het Hof van Justitie beschouwt art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn op grond van de bewoordingen en de opzet van art. 14 Btw-richtlijn als een lex specialis ten opzichte van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn.1 Wil deze bepaling van toepassing zijn, dan dient aan drie cumulatieve voorwaarden te worden voldaan.2 In de eerste plaats moet de (juridische) eigendom van het vastgoed overgaan. Of de macht om als een eigenaar over het vastgoed te beschikken als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn ook feitelijk overgaat is irrelevant. De formele overgang van de eigendom volstaat.3
In de tweede plaats moet die eigendomsovergang van het vastgoed plaatsvinden ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet. In het Gmina Wrocław II-arrest heeft het Hof van Justitie een besluit van de president van het woiwodeschap Neder-Silezië in Polen tot overgang van de eigendom van gemeentelijk onroerend goed door Gmina Wrocław aan de fiscus als zodanig aangemerkt.4 En in het Gmina Wrocław III-arrest heeft het Hof van Justitie de omzetting van een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik op bebouwde percelen met woonbestemming die in eigendom zijn van de gemeente Wrocław in een ‘vol’ eigendomsrecht van de vruchtgebruiker op grond van nationale wetgeving aangemerkt als een eigendomsovergang krachtens de wet.5 Uit deze arresten is naar mijn mening af te leiden dat de overheidsinstantie die het onteigeningsbesluit heeft genomen, namens wie het onteigeningsbesluit is genomen of die de onteigeningswetgeving heeft vastgesteld een ander kan zijn dan degene die de eigendom van het vastgoed verkrijgt. In Nederland is de vraag opgeworpen of het feit dat de eigendom op grond van de Onteigeningswet overgaat op de onteigenende partij door inschrijving van het rechterlijk vonnis waarin de onteigening wordt uitgesproken in de openbare registers, in de weg staat aan de toepassing van de nationale evenknie van art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn. Naar mijn mening is het antwoord op die vraag ontkennend. Ook in die situatie is sprake van een eigendomsovergang ingevolge een vordering door of namens de overheid.6 De vordering van de overheid tot onteigening, het onteigeningsbesluit, vormt immers de aanleiding tot het rechterlijk vonnis waarin de gevorderde onteigening van het vastgoed wordt uitgesproken.7 Naar mijn mening heeft hetzelfde te gelden voor de onteigening door de inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers na de onherroepelijke bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking van de onteigenende partij door de (bestuurs)rechter.8 Deze uitleg strookt naar mijn mening met het doel van art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn: het voorkomen van een verschillende behandeling van een vrijwillige eigendomsoverdracht en een gedwongen onteigening tegen vergoeding.
De derde en laatste voorwaarde voor de toepassing van art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn is dat de eigendomsovergang tegen betaling van een vergoeding plaatsvindt. Hiervoor is volgens het Hof van Justitie niet beslissend of sprake is van een eigendomsovergang onder bezwarende titel, aangezien de eis van een bezwarende titel en de jurisprudentie inzake leveringen van goederen onder bezwarende titel geen betrekking heeft op art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn, maar op art. 2 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn.9 Niettemin is er volgens het Hof wel een element van wederkerigheid vereist in de zin van een rechtstreeks verband tussen de eigendomsovergang en de vergoeding.10 Dit verband houdt in dat als er geen eigendomsovergang plaatsvindt, er geen vergoeding wordt betaald en vice versa. De vergoeding moet dus betaald worden, omdat het vastgoed is onteigend.11 Bij een onteigening van vastgoed waarbij aanspraak bestaat op een vergoeding zal aan de derde voorwaarde daarom steeds worden voldaan. Het lijkt erop dat het Hof van Justitie de ‘vergoedingsvoorwaarde’ in art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn uitlegt als een lex specialis van de eis van een bezwarende titel in art. 2 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn. Naar mijn mening is hiervoor geen steun te vinden in de richtlijnhistorie, het doel en de bewoordingen van art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn (zie paragraaf 4.2.4.2.1). Omdat het Hof van Justitie wederkerigheid eist in die zin dat de (schade)vergoeding rechtstreeks verband houdt met de eigendomsoverdracht van het onteigende goed lijkt het resultaat echter niet te ‘bijten’ met de eis van een bezwarende titel in art. 2 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn (zie paragraaf 4.5).