Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.5.5.2
7.5.5.2 Verbonden partijen
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258352:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 15, lid 4, CVA.
In Case study 9.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO heeft een autodealer een exclusief distributierecht verkregen van een autofabrikant en onderhandelt zij haar prijzen met de autofabrikant op basis van haar detailverkoopprijzen. De autodealer verkrijgt daarnaast een kwantiteitskorting van 10% van de autodealer. Los van deze feiten en omstandigheden voert de autodealer zijn onderneming zelfstandig uit. De Technische commissie douanewaarde vindt in een dergelijk geval geen aanleiding om de autofabrikant en de autodealer als verbonden partijen aan te merken. Case study 9.1 Sole agents, sole distributors and sole concessionaires. (Adopted, 1st Session, 6 October 1995, 39.790).
Bij het Hof van Justitie is een zaak aanhangig over de vraag of sprake is van verbonden partijen in de zin van onderdeel b indien de jure geen bewijs van zakelijke verbondenheid bestaat, maar er de facto sprake lijkt te zijn van zakelijke verbondenheid vanwege de bijzonder nauwe band tussen de koper en verkoper bestaande uit een hoge mate van vertrouwen die bij een normale bedrijfsvoering niet kenmerkend is. In het bijzonder gaat het hierbij dus om de uitleg van de bewoordingen ‘door de wettelijke bepalingen [moeten worden] erkend als in zaken verbonden’. Verzoekschrift prejudiciële beslissing 13 november 2020, nr. C-599/20 (UAB „Baltic Master” tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijo).
Advisory Opinion 21.1. Interpretation of the expression “partners in business” in Article 15.4 (b). (Adopted, 2nd Session, 8 March 1996, 40.210).
Bij het Hof van Justitie is een zaak aanhangig over de vraag of sprake is van verbonden partijen onder onderdeel e of f wanneer de jure geen bewijs bestaat van zeggenschap, maar toch sprake lijkt te zijn van verbondenheid omdat de transacties tussen deze personen zijn gesloten en uitgevoerd onder omstandigheden die voor de normale bedrijfsvoering niet gebruikelijk zijn en er geen andere objectieve omstandigheden bestaan die de economische logica van dergelijke transacties kunnen rechtvaardigen. Verzoekschrift prejudiciële beslissing 13 november 2020, nr. C-599/20 (UAB „Baltic Master” tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijo).
Een en ander volgt ook uit Aantekening bij artikel 15, lid 4, onderdeel e, CVA waar de toevoeging ‘beperkingen kan opleggen of instructies kan geven’ uit af te leiden is. Hoewel de aantekening alleen ziet op onderdeel e, lijkt deze ook toepasbaar op de onderdelen f en g.
Explanatory note 4.1. Consideration of relationship under Article 15.5, read in conjunction with Article 15.4. (Adopted, 10th Session, 4 October 1985, 32.940) en Case Study 11.1. Application of Article 15.4 (e) - related party transactions. (Adopted, 8th Session, 1 April 1999, VT0034).
Case Study 11.1. Application of Article 15.4 (e) - related party transactions. (Adopted, 8th Session, 1 April 1999, VT0034).
Tot welke graad de familieband strekt, wordt niet aangegeven in artikel 127, lid 1, onderdeel h, UDWU. In haar voorganger, artikel 143, lid 1, onderdeel h, TCDW, stond aangegeven dat personen slechts geacht worden leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijze met elkaar bloed- of aanverwant zijn: echtgenoot en echtgenote, ouder en kind, broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), grootouder en kleinkind, oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), schoonouder en schoondochter of schoonzoon, zwagers en schoonzusters. Het zou de eenvoud en rechtszekerheid van het stelsel bevorderen als deze afbakening ook onder het DWU nog geldt.
HvJ EU 21 januari 2016, C-430/14 (Valsts ieņēmumu dienests tegen Artūrs Stretinskis), ECLI:EU:C:2016:43, r.o. 22.
HvJ EU 21 januari 2016, C-430/14 (Valsts ieņēmumu dienests tegen Artūrs Stretinskis), ECLI:EU:C:2016:43, r.o. 28.
HvJ EU 21 januari 2016, C-430/14 (Valsts ieņēmumu dienests tegen Artūrs Stretinskis), ECLI:EU:C:2016:43, r.o. 29.
De transactiewaarde van de ingevoerde goederen vindt enkel toepassing als aan de voorwaarden is voldaan, waaronder begrepen dat de verbondenheid van partijen geen invloed mag hebben gehad op de aangegeven prijs. Verbondenheid volgt kortgezegd uit een familieband of uit de zeggenschap of controle die een partij over de ander heeft.
In artikel 127, lid 1, UDWU wordt voorzien in een limitatieve opsomming van situaties waarbij koper en verkoper worden aangemerkt als verbonden partijen:1
zij zijn functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon;
zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden;
zij zijn werkgever en werknemer;
een derde partij bezit, heeft zeggenschap over, of houdt direct of indirect 5% of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden;
één van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander;
een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden;
beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon;
zij behoren tot dezelfde familie.
Ik zal hierna een aantal situaties nader toelichten.
Onderdeel b – ‘In zaken met elkaar verbonden’
In lid 2 van artikel 127 UDWU wordt aangegeven dat personen ook in zaken met elkaar verbonden kunnen zijn doordat de één optreedt als exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, ongeacht de gebruikte omschrijving, van de ander.2 Echter, er is pas sprake van ‘verbonden partijen’ in douanerechtelijke zin als één van de in artikel 127, lid 1, onderdelen a tot en met h, UDWU genoemde situaties zich voordoet. In het bijzonder springt lid 1 onderdeel b daarbij in het oog waarin is aangegeven dat personen verbonden zijn indien zij door wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden.3 De vraag is derhalve of een exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder zondermeer aangemerkt kunnen worden als personen die door de wettelijke bepalingen erkend zijn als in zaken verbonden. De Technische commissie douanewaarde van de WDO heeft zich over deze kwestie gebogen en beantwoordt de vraag ontkennend. Eén en ander hangt namelijk af van de nationale bepalingen. In Advisory Opinion 21.1 wordt dit als volgt toegelicht:4
An association would be a partnership only where the national legal requirements for the creation of a partnership are satisfied. Thus, persons are not related under the Agreement simply because one person is the sole agent, sole distributor or sole concessionaire of the other.
While it is true that sole agents, sole distributors, etc. may have a close association with their suppliers, this fact alone would provide no reason to treat them differently from any other unrelated party.
For the purpose of clarification, a Member may choose to incorporate or refer to its national law of partnership in the valuation provisions of its Customs law. However, it would not be appropriate for a Member to devise a different definition of partnership specifically for the interpretation of the valuation provisions of its Customs law.
Door aan te sluiten bij nationaal recht voor de vraag of sprake is van ‘zakelijke verbondenheid’, kunnen er verschillen ontstaan tussen de douanejurisdicties van WHO-leden, wat de uniformiteit van het douanewaardestelsel onder druk zet. Het zou derhalve beter zijn geweest als nadere invulling aan het begrip was gegeven in de CVA.
Onderdelen d, e, f en g – ‘Zeggenschap’
Of sprake is van zeggenschap kan op subjectieve of objectieve wijze worden getoetst. In artikel 127, lid 1, UDWU worden beide toetsen toegepast. Ik zal beide toetsen hierna nader toelichten.
Voor de onderdelen e, f en g wordt op basis van een subjectieve toets vastgesteld of sprake is van ‘zeggenschap’.5 Het begrip ‘zeggenschap’ wordt ten aanzien van voornoemde onderdelen in het derde lid van artikel 127 UDWU nader geduid. Daaruit volgt dat een persoon geacht wordt om zeggenschap over een andere persoon te hebben wanneer hij rechtens of feitelijk in een positie is om het handelen van de andere te leiden (beperkingen kan opleggen of instructies kan geven).6 Dit lijkt ten aanzien van onderdeel e het geval als een persoon in de positie verkeerd ‘[…] to exercise restraint or direction in respect of essential aspects relating to the management of the activities of the other person’.7 Het moet hierbij gaan om een overeenkomst die verder gaat dan een simpele verkoop- en distributieovereenkomst. In Case Study 11.1 schetst de Technische commissie douanewaarde van de WDO een situatie waarbij een partij in een positie verkeerd waarin hij beperkingen kan opleggen en instructies kan geven.8 In Case Study 11.1 heeft de verkoper uit hoofde van een verkoop-, service- en distributieovereenkomst een positie waarbij hij beperkingen kan opleggen en instructies kan geven ten aanzien van een aantal essentiële aspecten van het management (o.a. beslissingen over managementposities, zeggenschap over de stemrechten en de locatie waar de economische activiteiten plaatsvinden).
In tegenstelling tot de onderdelen e, f en g, wordt in onderdeel d een objectieve toets aangelegd om te bepalen of sprake is van ‘zeggenschap’. Immers, aan onderdeel d is voldaan als een derde partij direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van koper en koper bezit of daar zeggenschap over uitoefent.
Onderdeel h – ‘Familieband’9
Uit onderdeel h volgt dat verbondenheid voor douanewaardedoeleinden ook kan volgen uit een familieband. Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van onderdeel h een doorkijkbenadering geïntroduceerd in de zaak Valsts ieņēmumu dienests tegen Artūrs Stretinskis. In voornoemd arrest kocht een natuurlijk persoon goederen aan van een rechtspersoon gevestigd in de Verenigde Staten. De broer van de natuurlijk persoon was directeur van deze rechtspersoon. Hoewel onderdeel h restrictieve bewoordingen gebruikt, kan in een dergelijk geval, aldus het Hof van Justitie, toch sprake zijn van verbonden partijen. In voornoemd geval waarbij verwanten niet rechtstreeks maar via de ‘huls’ van een rechtspersoon een verkooptransactie aangaan, kan immers nog steeds sprake zijn van prijsbeïnvloeding. Om te waarborgen dat ook in die situaties de douanewaarde overeenkomstig een billijk, uniform en neutraal systeem vastgesteld wordt en het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden wordt uitgesloten, oordeelde het Hof van Justitie dat ook in die gevallen sprake is van verbonden partijen.10 De familieverwant die werkzaam is bij de rechtspersoon moet echter wel invloed kunnen uitoefenen op de prijsstelling om te kunnen spreken over verbonden partijen.11 Om dit te beoordelen moet gekeken worden naar de door de familieverwant uitgeoefende functies binnen de verkopende rechtspersoon. Als hij enig bestuurder is, vormt dit een relevante factor om in aanmerking te nemen om te bepalen of hij invloed kan uitoefenen op de prijs die de rechtspersoon als verkoper overeenkomt.12