Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.3.2:7.3.2 Motivering van de strafeis ter terechtzitting
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.3.2
7.3.2 Motivering van de strafeis ter terechtzitting
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463259:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Corstens/Borgers, XV.20, refereren daarbij aan de Memorie van Toelichting bij art. 304 ORO, p. 151. Overigens wordt in die Memorie weer verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 mei 1909, W.v.h.R., no. 8884.
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor een door de OvJ in dupliek gewijzigde vordering (artikel 311, derde lid Sv).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het eind van het onderzoek ter terechtzitting, na eventuele ondervraging van de verdachte, getuigen en deskundigen, neemt de OvJ het woord (requisitoir). Als de OvJ tot de conclusie komt dat het opleggen van een straf of maatregel opportuun is, dan legt hij op grond van artikel 311 Sv ‘zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over’ (de strafeis). Op grond van voornoemde bepaling is de OvJ ook verplicht om een eventuele strafeis te omschrijven. Dit betekent dat hij de straf precies moet aanduiden, waarbij hij ook de hoogte moet aangeven.1 De bepalingen van artikel 311, eerste lid Sv kunnen dus als een beginselplicht tot het (formeel) kenbaar maken van een motivering door de OvJ van de hoogte van de te vorderen straf worden gezien.2
De waarborg van een kenbare motivering (de formele motiveringsplicht) is echter zonder waarde als er geen voorafgaande plicht is tot het construeren van een deugdelijke en feitelijke motivering (de materiële motiveringsplicht). Vandaar dat aangenomen mag worden dat de OvJ eveneens gehouden is om een deugdelijke onderbouwing te geven van de hoogte van de strafeis, waarbij ook ingegaan wordt op eventuele strafbeïnvloedende omstandigheden. Voor wat betreft wettelijke strafverzwarende omstandigheden zal dit overigens inhouden dat de feitelijke onderbouwing (het ‘weten’) zal terugkomen bij de bewijsmotivering tijdens het requisitoir en de waardering en weging van die omstandigheden bij de motivering van de strafmaat bij het uitspreken van de vordering.
7.3.2.1 Strafvorderingsrichtlijnen; afwijkingen7.3.2.2 Het boeterapport: een gemotiveerde strafeis?