Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.3.4
6.3.4 Staatscommissies voorafgaand aan de grondwetsherziening van 1983
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248538:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Staatscommissie-Van Schaik 1954; Werkgroep-Proeve 1966; Rapport Staatscommissie-Cals/Donner 1971.
Waarom hiernaar gestreefd wordt is een vraagstuk dat te groot is om hier behandeld te kunnen worden. Wellicht speelt de naoorlogse problematiek en de wederopbouw op de achtergrond een grote rol. In die omstandigheden is het immers belangrijk om een centrale autoriteit in staat te stellen de schaarse middelen doelmatig en efficiënt te verdelen. Ook het toenemende gelijkheidsdenken kan een rol hebben gespeeld. Wanneer verschillen tussen gemeenten minder gewenst zijn, is het ook minder bezwaarlijk dat gemeenten minder ruimte hebben om naar eigen inzicht te besturen.
Met de wijziging van de Gemeentewet in 1969 werd het systeem, in de woorden van Van den Bergh, logisch sluitend. Ondertussen was het de vraag of dat systeem nog lang zou bestaan aangezien er in de jaren 60 en 70 volop gediscussieerd werd over de vormgeving van de bestuurlijke hoofdstructuur van Nederland. Deze discussie zou uiteindelijk uitmonden in de Grondwet van 1983, waaraan de rapporten van maar liefst drie commissies ten grondslag lagen. Op chronologische volgorde waren dat de Staatscommissie-Van Schaik (1954), de werkgroep ‘Proeve van een nieuwe Grondwet’ (1966) en de Staatscommissie-Cals/Donner (1971).1 Elk van deze commissies kwam met een verschillende visie op wat de Grondwet zou moeten bepalen over de decentrale overheden. Tegelijkertijd bestonden er ook enkele belangrijke overeenkomsten tussen de ontwerpen. Twee daarvan zijn voor het onderwerp van deze paragraaf van bijzonder belang. Allereerst werd in alle drie de grondwetsontwerpen doelbewust meer ruimte gecreëerd voor de wetgever om het bestuur van de decentrale overheden naar eigen goeddunken in te richten. Bepalingen werden ofwel gedeconstitutionaliseerd ofwel herschreven zodat eventuele grondwettelijke beperkingen voor de wetgever werden weggenomen.2 Hiermee hangt de tweede overeenkomst samen, namelijk dat in geen enkel ontwerp de bevoegdheid inzake de regeling en het bestuur van de huishouding nog exclusief aan de raad toekwam. Dit brengt met zich mee dat in de ontwerpen van de commissie-Van Schaik en de commissie-Cals/Donner, waarin het hoofdschap van de raad nog een plaats had, de koppeling tussen het uitoefenen van bestuursbevoegdheden en dat hoofdschap werd verzwakt. Zoals hiervoor is beschreven, uitte het hoofdschap van de raad zich traditioneel onder andere in de bepaling dat de bevoegdheden inzake de regeling en het bestuur van de huishouding exclusief aan de raad toekwamen. Oud en Van den Bergh stelden zelfs dat, nu in hun ogen het onderscheid tussen autonomie en medebewind niet meer bestond en medebewind ook onder de huishouding van de gemeente viel, het beter met het hoofdschap van de raad te verenigen was wanneer alle bevoegdheden in beginsel aan de raad zouden toekomen. Deze redenering zou echter niet meer automatisch opgaan wanneer, zoals in de grondwetherzieningsvoorstellen gebeurde, aan de exclusieve positie van de raad als bestuurder een einde werd gemaakt. Met het schrappen van de exclusieve bestuursbevoegdheid van de raad zou er een grond wegvallen om het hoofdschap van de raad zo te interpreteren dat het inhoudt dat alle bestuursbevoegdheden in beginsel aan de raad moeten toekomen. Voor de wetgever zou er daarmee een grondwettelijke beperking wegvallen ten aanzien van de inrichting van het gemeentebestuur, een gevolg dat precies paste in de doelstelling van alle drie de commissie. Zoals hierna betoogd zal worden, paste het ook precies in de doelstelling van de grondwetgever van 1983.