Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/6.6
6.6 Synthese
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS380631:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Assink | Slagter 2013 (Deel 2), p. 1628. Zie ook Drenth (2017), p. 98, die eveneens meent dat het “evenzeer en op gelijke wijze raken” afhangt van de vraag of bij de dochtervennootschap sprake is van enig ten opzichte van de moedervennootschap zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid.
Zie § 2.3.
Idem Ingelse (2012), p. 32.
Aldus ook Geerts (2006), p. 11 en Ingelse (2012), p. 32.
Zie OK 28 mei 2015, ARO 2015/141 (Pertuno/Instore Broadcast), r.o. 3.1.
Zie OK 24 november 2008, JOR 2009/9 m.nt. Josephus Jitta (Fortis), r.o. 3.17.
OK 13 juli 2007, ARO 2007/121 (Villa Hap International/Villa Hap); OK 16 juni 2015, ARO 2015/165 (Clifden); OK 7 juli 2015, ARO 2015/173 (Bedrijven- en Kantorencentrum Lansinkveste/Bedrijvenpark Centrum Almelo).
Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een concernenquête moet mijns inziens het meeste gewicht toekomen aan de eerste omstandigheid uit Landis: het al of niet ten opzichte van de moedervennootschap zelfstandig bepaalde en gevoerde bestuursbeleid. Waar het om draait is de afwezigheid van ten opzichte van de moedervennootschap zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid binnen de dochtervennootschap, waardoor het beleid en de gang van zaken van die dochtervennootschap de belangen van aandeelhouders of certificaathouders (economisch gerechtigden) van de moedervennootschap evenzeer en op gelijke wijze raken als het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap zelf.1 De OK geeft doorgaans invulling aan deze norm door te oordelen dat er sprake moet zijn van een ‘economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding’ die door verschillende vennootschappen tezamen wordt gevormd. Bepaalt de moedervennootschap het gewraakte beleid van haar dochtervennootschap volledig zodat een zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid bij die dochtervennootschap ontbreekt, dan is volgens mij daardoor voldaan aan het ‘raken-vereiste’. Het beleid van de moedervennootschap en dochtervennootschap is dan immers een en hetzelfde. In dat geval brengt de strekking van het enquêterecht mijns inziens mee dat een aandeelhouder in de moedervennootschap (mede) bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek bij de dochtervennootschap. Het enquêterecht strekt ertoe de kapitaalverschaffer te beschermen met het bevorderen van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Die bescherming van de kapitaalverschaffer, als strekking van het enquêterecht, komt hier tot uiting in aspecten als openheid, sanering, vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het mogelijk blijkend wanbeleid en preventie op het niveau van de moedervennootschap zelf en de dochtervennootschap.2
Met het voorgaande wil ik niet zeggen dat het ‘raken-vereiste’ geen rol speelt bij de toewijzing van een concernenquête. Worden de belangen van de aandeelhouder van de moedervennootschap geheel niet geraakt, dan ligt een concernenquête niet voor de hand.3 Dit laatste is in feite de toepassing van de algemene procesregel van art. 3:303 BW: geen vordering zonder belang.4
De verzoekende aandeelhouder van de moedervennootschap dient voornoemde voorwaarden voor de toewijzing van concernenquête aan te tonen aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van de OK volgt voorts dat de verzoeker expliciet moet stellen dat hij een concernenquête wil. Hij moet in het verzoekschrift opnemen dat zijn verzoek niet alleen gericht is op de moedervennootschap, maar ook op de andere vennootschappen die de verzoeker in de concernenquête wil betrekken.5 Een algemene verwijzing naar ‘de met de holding in een groep verbonden vennootschappen’ volstaat niet.6 De verzoeker doet er daarnaast goed aan om zijn bezwaren tegen zowel het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap als dat van de dochtervennootschap(pen) kenbaar te maken, om afwijzing van het verzoek bij laatstgenoemde(n) te voorkomen.7