Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.1.2:6.1.1.2 Derdenbescherming
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.1.2
6.1.1.2 Derdenbescherming
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS618498:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gevolg van de vaststelling van de onroerende status van netten is dat een derde-verkrijger die bescherming zoekt tegen de onbevoegdheid van de vervreemder zich op artikel 3:88 BW dient te beroepen. Dit betekent dat deze derde alleen tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder wordt beschermd, indien deze beschikkingsonbevoegdheid berust op de ongeldigheid van een vroegere overdracht welke veroorzaakt is door een titel- of leveringsgebrek. Een voorbeeld: A is bevoegd aanlegger van een net waarover B al enkele jaren het beheer voert. B weet de notaris en C te overtuigen dat hij geacht moet worden bevoegd aanlegger te zijn en levert het net aan C. Ondanks dat C te goeder trouw is, wordt hij in beginsel niet beschermd op basis van artikel 3:88 BW omdat B's onbevoegdheid niet voortkomt uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht. Er heeft namelijk helemaal geen overdracht tussen A en B plaatsgevonden. Sinds vaststelling van de onroerende status van netten zal C in voornoemd geval zich dus niet meer op artikel 3:86 BW kunnen beroepen. Voorheen zou een beroep op dit artikel, aangaande bescherming beschikkingsbevoegdheid bij roerende zaken, mogelijk zijn geweest (immers: in de praktijk werden netten behandeld als ware het roerende zaken) en was C wel beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van B. In dit licht kan gesteld worden dat de positie van de derde-verkrijger door vaststelling van de onroerende status van netten enigszins gewijzigd is in vergelijking met de periode van voor de wijziging.
Afgezien van de beschikkingsbevoegdheidsvraag in het kader van de derdenbescherming is, na vaststelling van de onroerende status, met betrekking tot dit vereiste de situatie ook op een ander vlak veranderd. De verandering bestaat hierin dat voorheen een vervreemder eerder de pretentie had `beschildángsbevoegd' te zijn met betrekking tot het net. Immers voorheen werden geen eisen gesteld aan de wijze waarop men de eigendom van een net verkreeg. De vervreemder ging er vanuit dat hij rechthebbende was van een net omdat het net bijvoorbeeld al langere tijd door hem werd gebruikt en hij het net tot zijn vermogen rekende (en wellicht ook had verpand aan de bank). Men waande zich wat sneller 'rechthebbende' omdat men de macht over het net kon uitoefenen en de daarmee gemoeide economische belangen van het net kon behartigen. Met ingang van de nieuwe regeling is men (pas) eigenaar/rechthebbende van een net indien een partij kan aantonen dat hij de bevoegde aanlegger is, dan wel dat zijn rechtsvoorganger dit was. Dit betekent dus ook dat men (pas) beschikkingsbevoegd is om een net over te dragen, als men met enige zekerheid kan aantonen dat men die bevoegde aanlegger is of dat zijn rechtsvoorganger(s) die bevoegde aanlegger was. Als een net in het verleden diverse malen is overgedragen — wat sinds de privatisering van nutsbedrijven gebruikelijk is — dan kan de huidige 'rechthebbende' best een probleem hebben om te traceren wie als bevoegd aanlegger is te beschouwen en of de achterliggende overdrachten wel juist zijn verlopen. En dus is de vraag of de vervreemder beschikkingsbevoegd is om het net over te dragen nu vele malen lastiger te beantwoorden dan voorheen.
Voor netten zijn tot slot ook de bepalingen betreffende de derdenbescherming conform artikel 3:24 e.v. BW van belang geworden. Immers inschrijving in de openbare registers van de overdracht van een net is thans een vereiste en dus kunnen genoemde bepalingen bij overdracht van een net van toepassing zijn. De verkrijger van een net zal daardoor thans beschermd kunnen worden als een situatie zoals genoemd in de artikelen 3:24 e.v. BW zich voordoet (zie verder par. 3.4.1.1). Voorheen waren deze artikelen — uiteraard — niet van toepassing omdat inschrijving in de openbare registers geen verplichte leveringshandeling was.