Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.8.3
10.4.8.3 Nadere analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491687:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag had in deze bedrijfsfusiezaak geoordeeld dat een constructie was opgezet die in werkelijkheid elke zelfstandige betekenis miste en dat belanghebbende zich op kunstmatige wijze toegang tot de faciliteiten had trachten te verschaffen. Hierin zijn duidelijk elementen van de ‘verschillende wegen-leer’ te onderkennen. Zie bijvoorbeeld HR BNB 2009/123. Ik wijs in dit verband ook op Hof Amsterdam, V-N 2021/14.7. Een stichting (pensioenfonds) richtte een BV op en droeg daar vastgoed aan over. Op dezelfde dag werd het vastgoed door de BV afgesplitst naar een NV (verkrijger). Door de verkrijgende NV (een vastgoedfonds) werden aandelen toegekend aan de stichting (pensioenfonds). Vanuit het perspectief van het pensioenfonds werd met het beschreven ‘stappenplan’ een directe vastgoedportefeuille omgezet in een indirecte vastgoedportefeuille. In geschil was het antwoord op de vraag of de verkrijging van het vastgoed door de NV bij de splitsing was vrijgesteld op grond van de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting (art. 15, lid 1, onderdeel h, Wet BRV 1970 jo. art. 5c UB BRV 1971). Volgens Hof Amsterdam was dat niet het geval. De antimisbruikbepaling stond daaraan in de weg. Het hof oordeelde onder meer als volgt: ‘De gekozen route moet (…) als een kunstmatige, louter door fiscale overwegingen ingegeven omweg worden aangemerkt ten opzichte van de rechtstreekse inbreng van vastgoed door de Stichting tegen uitreiking van aandelen in belanghebbende.’
Het uiteindelijke zakelijke doel was immers het samenbrengen van beide panden in één onderneming waarvan alle voordelen (indirect) de zoon en diens echtgenote aangingen. Om de uiteindelijke structuur te bereiken, was na de tussenstap in de vorm van de bedrijfsfusie nog een overdracht van aandelen noodzakelijk.
Zie over belastinguitstel in relatie tot de ‘verschillende wegen-leer’ ook De Vries, WFR 2010/114, onderdeel 2.7.
In tegenstelling tot het geval was in BNB 2008/245, oordeelde de Hoge Raad in BNB 2000/111 niet dat belastingontwijking een hoofddoel van de aandelenfusie was. Een mogelijke verklaring kan zijn dat de Hoge Raad vond dat de aandelenfusie, mede gezien het met waarderingen van feitelijk aard verweven oordeel van het hof, niet kunstmatig was, terwijl hij dat wel vond van de bedrijfsfusie in HR BNB 2008/245.1 Mogelijk komt daarbij gewicht toe aan het feit dat de aandelenfusie in HR BNB 2000/111 in lijn lag met het zakelijke doel en reële betekenis had. De bedrijfsfusie in HR BNB 2008/245 ontbeerde reële betekenis aangezien dit een omweg was die niet in lijn lag met het overkoepelende zakelijke doel van de herstructurering als geheel.2 Geïsoleerd bezien was de bedrijfsfusie in die zaak slechts ingegeven door fiscale motieven. Voorts moet worden bedacht dat met de gekozen route in HR BNB 2000/111 slechts belastinguitstel zou zijn bereikt. Het samenstel van rechtshandelingen in HR BNB 2008/245 zou de heffing van overdrachtsbelasting definitief hebben voorkomen. De vraag is of de Hoge Raad zijn benadering uit BNB 2008/245 ook zou hebben toegepast als de gekozen omweg had geresulteerd in belastinguitstel.3 Afsluitend is mijn conclusie dat de Hoge Raad onder omstandigheden ruimte ziet voor toepassing van de ‘verschillende wegen-leer’ binnen de context van de antimisbruikbepalingen van de herstructureringsfaciliteiten met pendanten in de Fusierichtlijn.