Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.2.2
6.5.2.2 Inrichtingsvrijheid en (onmiddellijke) voorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372099:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.3.2.2 en 8.3.2.3.
Zie par. 4.4.4.4 en de daar aangehaalde rechtspraak. Zie ook HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439, JOR 2000/145 m.nt. Blanco Fernandez (Geestelijk Leider), waarin de verregaande zeggenschap van de geestelijk leider op zich geen reden vormde voor rechterlijk ingrijpen.
Zie par. 6.4.3.
Zie par. 6.4.4.
HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439, JOR 2000/145 m.nt. Blanco Fernandez (Geestelijk Leider).
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010 JOR 2010/189 (PCM), r.o. 2.2 Als dat zo zou zijn, zou evenwel sprake zijn van een inmenging in de vrijheid van vereninging waarbij de beperkte margin of appreciation zou gelden. Het kan betwijfeld worden of bedoeld oordeel nodig zou zijn in een democratische samenleving.
Het door de ondernemingskamer geconstateerde wanbeleid had uiteindelijk niets te maken met genoemde principiële tegenstelling tussen de stichtingen en de bedrijfsleiding, maar met de weinig doordachte private-equity transactie waartoe ook de stichtingen zich hadden laten verleiden. Vgl. Calkoen (Diss., hoofdstuk 4.1) die opmerkt dat in de Nederlandse bedrijfscultuur sinds jaar en dag de neiging bestaat om principiële discussies over de bedrijfsleiding uit de weg te gaan en om zich te beperken tot praktische zaken.
Zie par. 6.4.2.
In het kader van de enquêteprocedure kan de vrijheid van inrichting op twee manieren in het gedrang komen. Ten eerste houdt het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen altijd in dat de inrichting van de deelrechtsorde al dan niet tijdelijk wijzigt.1 Ten tweede kan de vrijheid om de eigen organisatie in te richten in het kader van het enquêterecht worden doorkruist, doordat de ondernemingskamer kan oordelen dat de inrichting van de rechtspersoon (mede) aanleiding is om onmiddellijke voorzieningen te treffen, of zelfs dat deze inrichting kwalificeert als wanbeleid en eindvoorzieningen treft teneinde een reorganisatie af te dwingen.2
Indien een dergelijke inmenging aan het EHRM wordt voorgelegd, speelt een belangrijke rol wat de achtergrond is van de gewraakte inrichting van de rechtspersoon. Meestal zal deze inrichting een economische achtergrond hebben, zoals de economische waarde die aan zeggenschapsrechten is verbonden. De bescherming van een dergelijk belang moet vooral in art. 1 EP worden gezocht.3 Voor zover de vrijheid van vereniging in een dergelijk geval toch van toepassing is, geldt een ruime margin of appreciation en zal een inmenging relatief eenvoudig kunnen worden gelegitimeerd.4
Het is echter ook mogelijk dat de gewraakte inrichting van de rechtspersoon een niet-economische achtergrond heeft. In het Geestelijk Leider-arrest5 was bijvoorbeeld sprake van een stichting ten aanzien waarvan in de statuten allerlei verregaande bevoegdheden waren toegekend aan een geestelijk leider. In de enquêtepraktijk zal dat niet vaak voorkomen, maar uitgesloten is dat niet, zo blijkt uit de PCM-beschikking.6 Daarin wordt melding gemaakt van een (los van de enquêteprocedure) opgesteld rapport van professor Bouw. Dat rapport beschrijft het spanningsveld tussen enerzijds het identiteitbewakende element in de rol van de stichtingen die meerderheidsaandeelhouders van PCM waren en de identiteit van “hun” krant bewaakten, en het belang van de onderneming als geheel anderzijds. Het feit dat de bestuurders van deze stichtingen geen verantwoording aan een hoger orgaan hoefden af te leggen, zou meebrengen dat op aandeelhoudersniveau onvoldoende checks and balances zouden bestaan. Blijkbaar had professor Bouw er moeite mee hoe binnen de stichtingen werd omgegaan met het waarborgen van de identiteit van de desbetreffende kranten. In de deze enquêteprocedure hoefde de ondernemingskamer niet te beoordelen of zij dit oordeel onderschreef.7 Indien zij dat wel had moeten doen, zouden de voorwaarden van een democratische, pluriforme en tolerante samenleving aan de orde zijn en zou derhalve de strenge(re) margin of appreciation gelden. Voor ingrijpen is dan onvoldoende dat de ondernemingskamer zulks nuttig zou achten. In plaats daarvan zou een meer klemmende reden voor ingrijpen aanwezig moeten zijn.8