Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/12.2.2
12.2.2 Correctie persoonlijk belang ‘gevolgen van enige betekenis’
mr. dr. H. Tolsma, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. H. Tolsma
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, AB 2016/256 m.nt. Tolsma, Gst. 2016/96 m.nt. Hillegers, M en R 2016/94 m.nt. Claassen-Dales, JM 2016/48 m.nt. Haakmeester (Omgevingsvergunning Walibi).
Een vergelijkbare ontwikkeling is zichtbaar in de jurisprudentie over de belanghebbendheid van concurrenten. Af en toe beoordeeld de bestuursrechter niet alleen of ondernemingen actief zijn in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied, maar wordt tevens nagegaan of het bestreden besluit daadwerkelijk van invloed is op de concurrentieverhoudingen. Zie de noot van Wieland onder ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2001, AB 2018/287.
Conform advies van Van Ettekoven; zie B.J. van Ettekoven, ‘Bestuursrechtspraak voor Jan & Alleman? Op weg naar een stelsel van subjectieve rechtsbescherming’, in: B.J. Schueler, B.J. van Ettekoven & J. Hoekstra, Rechtsbescherming in het omgevingsrecht (Preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht Nr. 37), Den Haag: IBR 2009, p. 79-81.
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, AB 2017/348, m.nt. Tolsma, M en R 2017/138, m.nt. Van ’t Lam en Van der Woerd, TBR 2017/160, m.nt. Nijmeijer, JB 2017/143, m.nt. Benhadi, JM 2017/110, m.nt. Blokvoort (Mestbassin Mechelen).
B.J. Schueler, Het zand in de machine. Over de noodzaak tot beperking van de rechtsbescherming, Deventer: Kluwer 2003. Vgl. ook J.C.A. de Poorter, ‘Van actio popularis naar kringen van belanghebbenden’, BR 2006/64.
In de jurisprudentie is in 2016 het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ geïntroduceerd om de kring van belanghebbenden af te bakenen bij besluiten met effecten op de fysieke leefomgeving. Het criterium dient als correctie op het uitgangspunt dat iemand die (mogelijk) feitelijke effecten ondervindt, aangemerkt wordt als belanghebbende bij een besluit.1 Bij verwaarloosbare gevolgen komt iemand niet over de drempel van het persoonlijk belang.2 Voor activiteiten met ruimtelijke effecten draait het dan om de mate van zicht op, afstand tot en ruimtelijke uitstraling. Voor activiteiten met milieueffecten draait het dan om de mate van geluid, stank, trilling etc. Met name voor deze laatste categorie betreft de introductie van het criterium een aanscherping van de kring van belanghebbenden. Voor 2016 waren potentiële feitelijke effecten voldoende om toegang te krijgen tot de rechter. Thans worden eisen gesteld aan de mate van feitelijke effecten. Voor toegang is vereist een belangenschending van enige betekenis.3 Opvallend is het ‘Butterfly-effect’: de op het oog geringe bijschaving van de jurisprudentie heeft grote gevolgen voor de praktijk. Praktijkvragen vormen voor de Afdeling zelfs een reden voor een nadere toelichting.4
Hoewel op de theorie achter deze nieuwe lijn weinig valt af te dingen (uniformering en geen toegang bij verwaarloosbaar belang), valt er in de toepassing in de toekomst mijns inziens nog wel wat te verbeteren. Het belangrijkste verbeterpunt is naar mijn oordeel dat de ontvankelijkheidstoets niet wordt gebruikt voor uitgebreide inhoudelijke discussies over de (mogelijke) feitelijke effecten van een activiteit, al dan niet aan de hand van deskundigenrapporten. Als je te gedetailleerd de kring van belanghebbenden gaat vaststellen, is het risico dat je in het kader van de voortoets een beoordeling gaat verrichten die in feite thuishoort bij de inhoudelijke beoordeling. Wat is daar erg aan? Schueler verwoordt het als volgt:
‘Procedures die alleen over de ontvankelijkheid gaan hebben extreem negatieve gevolgen voor het draagvlak van de bestuursrechtspraak in de samenleving. Want òf de niet-ontvankelijkheid wordt tot in hoogste instantie volgehouden en dan gaat de procedure inhoudelijk helemaal nergens over, òf de rechter oordeelt dat het bestuursorgaan iemand ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dan moet de hele procedure van voor af aan opnieuw beginnen.’5
Verder is de formulering ‘gevolgen van enige betekenis’, mijns inziens ongelukkig gekozen. Dit normatieve en elastische begrip biedt partijen een uitstekende mogelijkheid om mee aan de haal te gaan waardoor je in dergelijke gedetailleerde discussies over feitelijke effecten belandt. Uit de jurisprudentie zou duidelijk moeten worden dat je aan toepassing van de correctie enkel toekomt als op voorhand evident is dat sprake is van ‘verwaarloosbare gevolgen’.
In de toekomst zouden het bestuursorgaan en de bestuursrechter naar mijn oordeel bij het vaststellen van de kring van belanghebbenden meer ‘door de oogharen’ moeten kijken. Uiteraard moeten onnodige procedures worden voorkomen en dient bestuursrechtspraak enkel ter beschikking te staan voor hen die rechtsbescherming nodig hebben. Besluiten met effecten op de fysieke leefomgeving hebben echter niet zelden een grote impact op omwonenden en dat pleit voor een soepel deurbeleid.