Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.2.2
10.2.2 Waardedaling van eigendommen
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446285:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.6.2. Akkermans stelt bovendien terecht dat de economische waarde de kern is van wat als eigendom kan worden aangemerkt (zie Akkermans 2013, p. 1282), terwijl ook Anderson de bescherming van de waarde van eigendom als een belangrijk aspect van het eigendomsrecht lijkt te zien (zie Anderson 1999, p. 543-544, 555 en 557).
Zij het dat bij indirecte aantastingen van het eigendomsbelang duidelijker uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat bij een waardedaling sprake is van een aantasting van het eigendomsbelang (zie de rechtspraak die besproken wordt in paragraaf 11.3). Vergelijk voor een indirecte aantasting als gevolg van een beleidsvoornemen ook duidelijk EHRM 6 oktober 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Allen e.a./VK, r.o. 44-45, 52-54 en 68 (zaaknr. 5591/07). In deze zaak aanvaardde het EHRM dat sprake was van een aantasting van het door art. 1 EP beschermde eigendomsbelang, omdat de overheid plannen voor een tweede start- en landingsbaan bij een luchthaven steunde en deze plannen (zoals tussen partijen niet in geschil was) hadden geleid tot een waardedaling van omliggende eigendommen.
Zie EHRM 9 mei 2006 (ontvankelijkheidsbeslissing), Saarenpään Loma Ky/Finland (zaaknr. 54508/00).
Zie EHRM 13 november 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Frijns/Nederland (zaaknr. 11838/06).
Zie bijvoorbeeld: EHRM 26 februari 2008, Buczkiewicz/Polen, r.o. 61-65 (zaaknr. 10446/03); EHRM 17 juli 2007, Rosiński/Polen, r.o. 69-73 (zaaknr. 17373/02); EHRM 14 november 2006, Skibińscy/Polen, r.o. 74-80 (zaaknr. 52589/99); EHRM 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth/Zweden, r.o. 60 (zaaknr. 7151/75). Vergelijk ook EHRM 7 december 2010, Tarnawczyk/Polen, r.o. 88-101 (zaaknr. 27480/02).
Zie EHRM 26 februari 2008, Buczkiewicz/Polen, r.o. 65 (zaaknr. 10446/03). In deze zaak was dus sprake van een overheidsmaatregel die formeel geen beperkingen aan het bestaande gebruik stelde, maar het eigendomsbelang wel anderszins op directe wijze aantastte. Vergelijk ook EHRM 6 december 2011, Ayangil e.a./Turkije, r.o. 45-48 (zaaknr. 33294/03).
Vergelijk bijvoorbeeld HR 10 september 2010, r.o. 3.3.3, ECLI:NL:HR:2010:BK3103. In deze zaak werd de afschaffing van het fiscaal gunstige regime voor door particulieren gebruikte bestelauto’s aangevochten, mede omdat deze (naar werd aangenomen) een waardedaling van bestelauto’s tot gevolg had gehad. Die afschaffing diende mede het milieu (zie Kamerstukken II 2004/05, 29 767, nr. 3, p. 4 en 15-16).
In paragraaf 2.6.3 is gebleken dat artikel 1ep onder meer de waarde van eigendom beschermt en daarmee beschermt tegen (door de overheid veroorzaakte) waardedalingen van eigendom. Dat de bescherming van artikel 1ep onder meer de bescherming van de waarde van eigendom omvat ligt eigenlijk erg voor de hand, aangezien het recht op eigendom (vooral) een economisch mensenrecht is. Veelzeggend in dit verband is dat het ehrm bij de beoordeling of sprake is van eigendom in de autonome betekenis van artikel 1 ep nagaat of sprake is van ‘title to a substantive interest’, met welk begrip het ehrm het oog heeft op economische, op geld waardeerbare aanspraken en belangen.1 Uit de rechtspraak van het ehrm volgt ook dat bij een waardedaling van eigendom, die veroorzaakt is door een overheidsmaatregel die beperkingen stelt aan het gebruik van eigendom of het eigendomsbelang anderszins op directe wijze aantast, sprake is van een aantasting van het door artikel 1 ep beschermde eigendomsbelang.2
Ten eerste valt te wijzen op de zaak-Saarenpään Loma Ky/Finland. In deze zaak wilde de klaagster vier blokhutten en een sauna op haar grond bouwen, maar dit was niet mogelijk op grond van beleid en regelgeving. In het kader van de proportionaliteitsbeoordeling overwoog het ehrm dat de klaagster haar stelling dat zij de grond niet tegen de marktwaarde kon verkopen of dat de waarde van de grond zo substantieel gedaald was dat sprake was van een onevenredige belangenafweging niet (voldoende) onderbouwd had.3 Uit deze overweging valt op te maken dat een waardedaling veroorzaakt door gebruiksbeperkingen onder omstandigheden een disproportionele aantasting van het eigendomsbelang kan opleveren. Dit lijkt ook te volgen uit de zaak-Frijns/Nederland. In deze zaak was sprake van een bestemmingsplanwijziging die de mogelijkheid om op een perceel, dat de klagers rechtmatig voor agrarische activiteiten gebruikten, hotels en landhuizen te bouwen had doen vervallen. Bij het ehrm klaagden zij dat zij geen vergoeding hadden gekregen voor de door deze bestemmingswijziging veroorzaakte waardedaling van hun perceel. Het ehrm aanvaardde dat sprake was van een waardedaling en een aantasting van hun eigendomsbelang, maar oordeelde dat van disproportionaliteit in casu geen sprake was.4 Het ehrm heeft bovendien geoordeeld dat een handelwijze van de overheid die een vooruitzicht van onteigening op een onbepaald moment in de toekomst in het leven roept, het eigendomsrecht van de burger onzeker maakt en aldus een aantasting van het eigendomsrecht oplevert.5 In dit verband heeft het ehrm erop gewezen dat het vooruitzicht van onteigening op een onbepaald moment in de toekomst de marktwaarde van de eigendom negatief kan beinvloeden. Het feit dat de klagers het perceel juridisch gezien mochten blijven gebruiken op de wijze waarop zij dat pleegden te doen en vrijelijk mochten vervreemden maakte dit volgens het ehrm niet anders.6
Omgevingsgerelateerde maatregelen die beperkingen stellen aan het gebruik van eigendommen kunnen een waardedaling van die eigendommen tot gevolg hebben, doordat zij die eigendommen onaantrekkelijk(er) kunnen maken voor potentiële kopers. Bij eigendommen die in waarde (kunnen) dalen door dergelijke omgevingsgerelateerde overheidsmaatregelen, valt hoofdzakelijk te denken aan (stukken) grond en daarmee verbonden gebouwen en andere werken. Omgevingsgerelateerde overheidsmaatregelen (zoals bestemmingsplannen en milieuregelgeving) stellen immers veelvuldig beperkingen aan het gebruik van (stukken) grond en daarmee verbonden gebouwen en andere werken (zoals veestallen en industriële installaties). Daarnaast valt bij eigendommen die in waarde (kunnen) dalen door omgevingsgerelateerde overheidsmaatregelen, ook te denken aan stoffelijke objecten die niet met de grond verbonden zijn, zoals auto’s, vliegtuigen en schepen. Nieuwe milieumaatregelen kunnen deze objecten immers onaantrekkelijker of onbruikbaar maken en hen daardoor in waarde doen dalen. Zo kunnen bepaalde auto’s, vliegtuigen en schepen uit milieuoverwegingen te maken krijgen met een gebruiksverbod of hogere belastingen.7
Uit het voorgaande volgt dat een waardedaling van eigendom die het gevolg is van een omgevingsgerelateerde overheidsmaatregel (die beperkingen aan het gebruik van die eigendom stelt) op grond van artikel 1ep onder omstandigheden vergoed moet worden teneinde een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en het eigendomsbelang te waarborgen.