Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.2
9.2 Twee vroege beslissingen van de Commissie voor de Rechten van de Mens gingen voorbij aan de proportionaliteitsvraag
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197403:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 31 mei 1959, nr. 551/59 (X. v. Germany).
ECRM 20 december 1960, nr. 551/59 (Gudmundur Gudmundsson v. Iceland). Deze zaak kwam al kort aan de orde in par. 7.2.
Een vergelijkbare zaak was aan de orde in ECRM 28 juli 1961, nr. 673/59 (A. and B. X. v. Germany), waarin het ECRM hetzelfde oordeel heeft gegeven als in de zaak met nr. 551/59.
Zie bijvoorbeeld de arresten in de zaken EHRM 15 oktober 2013, nr. 66365/09 (Savickas and 5 others v. Lithuania), EHRM 6 december 2011, nrs. 44232/11 en 44605/11 (Mihăieş et Senteş c. Roumanie), EHRM 7 mei 2013, nrs. 57665/12 en 57657/12 (Koufaki et ADEDY c. Grèce) en EHRM 8 oktober 2013, nrs. 62235/12 en 57725/12 (da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal), waarin het EHRM soms heftige maatregelen heeft geaccepteerd. Zie verder par. 10.3.5.3 over de Nederlandse crisisheffing.
De eerste miljoen kroon van het vermogen van natuurlijke personen was vrijgesteld. Het vermogen tussen 1 miljoen en 1,5 miljoen kroon werd belast naar een tarief van 15%, het vermogen tussen 1,5 miljoen en 3 miljoen kroon naar 20% en het meerdere naar 25%.
In deze paragraaf bespreek ik twee van de oudste uitspraken van de ECRM over hoge IJslandse en Duitse belastingheffing: X. v. Germany1 en Gudmundur Gudmundsson v. Iceland2. Deze zaken zijn illustratief voor de wijze waarop in de beginperiode klachten over artikel 1 Eerste Protocol werden behandeld. Hoewel de uitspraken door het ontbreken van een proportionaliteitstoetsing inmiddels zijn achterhaald, is de problematiek die in deze zaken aan de orde was nog verrassend actueel.
Zoals bleek in par. 7.2 beschouwde de ECRM belastingheffing aanvankelijk als een onder de eerste alinea van artikel 1 Eerste Protocol vallende ontneming van eigendom. Verder vond nog geen proportionaliteitstoetsing plaats en konden ingezetenen geen beroep doen op artikel 1 Eerste Protocol. Hoewel de klagers in beide zaken ingezetenen waren (van respectievelijk Duitsland en IJsland) ging de ECRM in beide gevallen in (kennelijk in eigen ogen ten overvloede dus) op de vraag of de aantasting van eigendom gerechtvaardigd was.
X. v. Germany ging over een maatregel in het kader van de ingrijpende financiële hervormingen die Duitsland in 1948 doorvoerde om de economie te herstructureren. Deze maatregelen brachten onder meer mee dat aandelen, obligaties, banktegoeden en hypotheken door een valutahervorming (de Reichsmark werd vervangen door de Deutsche Mark) 90% in waarde daalden. Daarbij hief Duitsland een belasting van 100% over het voordeel dat burgers behaalden doordat ook hypotheekschulden 90% in waarde daalden (de zogenoemde Lastenausgleichsgesetz). Het effect hiervan was dat de bezittingen van burgers 90% in waarde daalden, terwijl hypotheekschulden de facto niet werden verlaagd (de hypotheekschuld was een belastingschuld geworden). Hoewel het een ingrijpende maatregel betrof, achtte de ECRM de Lastenausgleichsgesetz niet in strijd met artikel 1 Eerste Protocol:
“Whereas with regard to the Applicant’s complaint of an alleged violation of Article 1 of the Protocol it is to be observed that the second sentence of paragraph (I) of that Article expressly contemplates, as an exception to the right to peaceful enjoyment of possession, that a person may be deprived of his possessions “in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law”; and whereas the Liability Equalisation Act was introduced by the competent authorities as a measure forming part of financial and monetary reforms in Germany after the Second World War, and considered to be necessary for establishing a sound economic basis for a new democratic society in that country; whereas, furthermore, it was an express purpose of the said financial and monetary reforms to ensure that the economic burdens arising out of the war and out of the changes in the value of German currency should be distributed proportionately amongst the citizens; whereas it follows that the financial measure of which the Applicant complains was introduced in the public interest and was administered to the Applicant subject to the conditions provided by the relevant law, namely the Liability Equalisation Act; whereas it follows that the measure in question complied with the conditions laid down in the second sentence of paragraph (I) of Article 1 of the Protocol, and not inconsistent with the right to peaceful enjoyment of possessions guaranteed under Article I of the Protocol;
Whereas in any event the second paragraph of Article I of the Protocol expressly lays down that the provisions in the first paragraph do not “in any way impair the right of a State to enforce such laws as necessary…to secure the payment of taxes or other contributions or penalties”; and whereas it is clear from what has already been stated above concerning the Liability Equalisation Act that the measure of which the Applicant complains is one falling within the terms of paragraph (2) of Article I.”3
De ECRM beoordeelde aldus uitsluitend de motieven van de Duitse regering en had geen oog voor de gevolgen van de maatregel voor de betrokkenen. Een belangenafweging ontbreekt volledig, waardoor het oordeel alleen al daarom achterhaald is. Voor de conclusie van de Commissie dat artikel 1 Eerste Protocol niet is geschonden valt echter, ook door een moderne bril bezien, wel begrip op te brengen. Er kan in dit verband een parallel worden getrokken met de rechtspraak van het EHRM over de austerity measures die verschillende lidstaten van de EU hebben getroffen om de financiële crisis het hoofd te kunnen bieden.4 Hierin stelde het EHRM zich terughoudend op en achtte het soms vergaande eigendomsaantastingen niet onverenigbaar met artikel 1 Eerste Protocol. Wat uit deze rechtspraak kan worden geconcludeerd is dat bijzondere tijden bijzondere maatregelen kunnen rechtvaardigen. Dat geldt dan ook zeker voor het Duitsland van kort na de Tweede Wereldoorlog, toen heftige ingrepen noodzakelijk waren om de economie weer gezond te maken en de transitie naar een democratische rechtstaat te maken. Wat in dit kader ook zeker van belang is, is dat de Lastenausgleichsgesetz onderdeel was van een breder pakket aan maatregelen en Duitsland ernaar streefde om de financiële pijn eerlijk te verdelen over de bevolking. Degenen met een hypotheek waren dus niet de enigen die bijdroegen aan het herstel van de economie. Een eerlijke verdeling van de fiscale lasten is een aspect dat het EHRM in latere rechtspraak meeweegt bij de beoordeling van de fair balance (zie bijvoorbeeld de in par. 9.6 besproken zaken over een Hongaarse belastingheffing van marginaal 98% over ontslagvergoedingen).
De zaak Gudmundur Gudmundsson betrof een progressieve belastingheffing over particulier vermogen.5 Evenals onder de huidige Nederlandse vermogensrendementsheffing werd geen rekening gehouden met het behaalde rendement, waardoor het mogelijk was dat moest worden ingeteerd op het vermogen om de belasting te kunnen voldoen. Gudmundur Gudmundsson had een vermogen van Kr. 4.126.024 en moest daarover een bedrag van Kr. 427.571 (10,36%) aan belasting betalen. Of dat meer of minder was dan het door hem behaalde rendement blijkt niet uit de uitspraak van de ECRM. Evenals in de hiervoor besproken belastingzaak X. v. Germany kwam de ECRM niet toe aan een belangenafweging. De Commissie oordeelde dat artikel 1 Eerste Protocol niet was geschonden, omdat (i) de heffing van vermogensbelasting in het algemeen belang was, (ii) gebaseerd was op een wettelijke grondslag, en (iii) een maatregel was “to secure the payment of taxes or other contributions” (zie nader par. 7.2). Door deze zeer beperkte toetsing hadden RvE-lidstaten op belastinggebied weinig te duchten van de Commissie.