Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/8.4.1:8.4.1 Bevindingen
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/8.4.1
8.4.1 Bevindingen
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270232:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Binnen dit onderzoek over de juridische houdbaarheid van het systeem van sanctionering ten aanzien van fiscale fraude betreffen de hoofdstukken zes en zeven de onderlinge afstemming van sancties en mogelijkheden tot sanctionering. In de betreffende hoofdstukken stonden de volgende onderzoeksvragen centraal:
In hoofdstuk zes: Welke sanctioneringsmogelijkheden ten aanzien van fiscale fraude zijn er?
In hoofdstuk zeven: In hoeverre zijn de huidige mogelijkheden tot sanctionering die gekoppeld zijn aan fiscaal frauduleus gedrag (nog) op elkaar afgestemd?
In hoofdstuk zes stonden de sanctioneringsmogelijkheden die kunnen worden ingezet ten aanzien van fiscale fraude centraal. Het fiscale handhavingsrecht wordt onder andere gekenmerkt door de grote hoeveelheid aan reacties van overheidswege, die ervoor moeten zorgen dat een richtige belastingheffing tot stand komt: mensen dragen in de regel niet vrijwillig af. In de woorden van Wortel zeer bondig samengevat: “De fiscale repressie kenmerkt zich door een uitbundige samenloop van sanctienormen.”1 Deze uitbundigheid heeft ten dele te maken met het duale systeem van repressieve fiscale rechtshandhaving, waardoor zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke sancties ten aanzien van de handhaving jegens fiscale fraude inzetbaar zijn.
De conclusie luidde dat het fiscale strafrecht zich principieel onderscheidt van het fiscale punitieve bestuursrecht vanwege de mogelijkheid van toepassing van vrijheidsstraffen. In het kader van de noodzaak van onderlinge afstemming van sanctioneringsmogelijkheden is dit feit (vrijheidsstraffen alleen via het strafrecht) een zeer bruikbare, ten opzichte van Wortels ‘uitbundigheid’ zelfs ‘aangename’ constatering. Gebleken is dat de vrijheidsstraf in het fraudebestrijdingsklimaat vandaag de dag vaker wordt ingezet voor de bestraffing van fiscale fraude.2
Een andere conclusie, minder gunstig in het licht van de noodzaak en betekenis van onderlinge afstemming, is dat er een groot scala aan toe te passen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke vermogenssancties in geval van fiscale fraude bestaat. Het onderscheid tussen deze sancties is niet altijd even duidelijk.3
Tot slot is gebleken dat de laatste jaren in de sfeer van naming en shaming nieuwe sancties in het leven worden geroepen, waarbij aan de adequate juridische inkadering daarvan kan worden getwijfeld.4 Vast staat wel dat dit type sanctie past bij de hedendaagse maatschappij, waarin het nieuws sneller gaat dan het licht, waardoor zowel de effectiviteit maar daarmee ook de impact van dergelijke onterende sancties groot is.
Deze conclusies bij elkaar genomen roepen de vraag op naar de onderlinge afstemming van de verschillende mogelijkheden van sanctionering van fiscale fraude, naar de voorzienbaarheid en inzichtelijkheid hiervan en naar aanbevelingen tot het opheffen van bestaande tekortkomingen.