Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.6.1.2
3.6.1.2 De keuze van de lidstaten
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291249:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), p. 2.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van14 maart 1974, nr. T/88/74 (FIN), p. 15-16.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), p. 7.
Bijlage II bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN).
Het aantal lidstaten dat gebruikgemaakt heeft van de mogelijkheid van art. 12 lid 1 Btw-richtlijn is overigens klein. In Hongarije, Ierland, Spanje wordt een niet-belastingplichtige die incidenteel een nieuw gebouw of bouwterrein levert (onder voorwaarden) aangemerkt als belastingplichtige, terwijl Roemenië een particulier die in het tijdsbestek van een jaar meer dan eens een gebouw of grond levert aanmerkt als een belastingplichtige. België en Griekenland kennen (onder voorwaarden) een optieregeling voor de belastingplicht voor de levering van een nieuw gebouw (F. Annacondia, EU VAT Compass 2020/2021, Amsterdam: IBFD 2020, p. 749).
Herziene tekst van het ontwerp van de Zesde BTW-richtlijn van 24 maart 1977, nr. R/715/77 (FIN 150), p. 8. In het herziene ontwerp van de zesde BTW-richtlijn van de voorzitter van - naar ik uit de chronologie van de stukken afleid - het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 21 februari 1977, nr. R/434/77 (FIN 90), p. 4 was deze bevoegdheid nog beperkt tot de levering van een nieuw gebouw en de levering van een bouwterrein. Waarom aanvankelijk niet, maar later alsnog tegemoetgekomen is aan de Franse wens heb ik uit de (vergader)stukken niet kunnen afleiden.
Het voorstel om de belastingplicht uit te breiden tot de levering van nieuwe gebouwen en bouwterreinen door particulieren stuitte op verzet van met name Duitsland en Luxemburg. Deze lidstaten meenden dat deze wijziging ten opzichte van de Tweede Richtlijn ‘ernstige problemen doet rijzen op politiek gebied’.1 Hoewel de bezwaren van deze lidstaten zich met name richten op het belasten van de levering van nieuwe gebouwen en bouwterreinen, hebben deze lidstaten ook bezwaren geuit tegen de voorgestelde uitbreiding van de belastingplicht. Zo was de belastingplicht voor niet-ondernemers volgens Duitsland een ‘heterogeen element’ in het btw-stelsel, terwijl Luxemburg ‘grote administratieve moeilijkheden voorzag vanwege het ‘zeer aanzienlijke aantal ter zake niet-ingewijde incidentele belastingplichtigen’. Beide lidstaten meenden dat niet of nauwelijks sprake is van een verstoring van de fiscale neutraliteit.2 Frankrijk achtte het daarentegen wenselijk dat ‘ook andere handelingen met een toevallig karakter dan de in art. 4 lid 3 Voorstel zesde richtlijn genoemde belast kunnen worden als een lidstaat dit nuttig acht’.3
Een compromis waarin alle lidstaten zich konden vinden is dat de levering van nieuwe gebouwen of bouwterreinen door een niet-belastingplichtige buiten de reikwijdte van de btw plaatsvindt, maar dat de lidstaten de bevoegdheid hebben deze levering te belasten door de verkoper als een belastingplichtige te beschouwen.4 Dit compromis heeft ertoe geleid dat art. 4 lid 3 Zesde Richtlijn een kan-bepaling is geworden.5 Op de valreep kwamen de lidstaten ook aan de wens van Frankrijk tegemoet door in art. 4 lid 3 Zesde Richtlijn op te nemen dat de bevoegdheid om de belastingplicht te verruimen tot incidenteel verrichte handelingen met name, en dus niet uitsluitend, geldt voor de levering van nieuwe gebouwen en bouwterreinen.6 Dit verklaart waarom art. 12 lid 1 Btw-richtlijn, de opvolger van art. 4 lid 3 Zesde Richtlijn, alleen de incidentele leveringen van nieuwe gebouwen en bouwterreinen met name noemt, maar de optionele belastingplicht voor de incidentele handelingen hiertoe niet is beperkt.