Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.1
III.7.1 Preliminaire observatie
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS299517:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Aa, Groenhuijsen en Pemberton 2013. Zie ook Jung 2004, die wijst op de samenhang tussen procedures en strafdoelen.
Zie ook de afbakening met betrekking tot de rol van strafdoelen in dit preadvies in § 1.3.4.
In de Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering wordt daarover het volgende opgemerkt: ‘Dat het OM de wenselijkheid en de omvang van de vervolging bepaalt blijft eveneens als uitgangspunt gelden. Dit uitgangspunt is een uitvloeisel van het opportuniteitsbeginsel dat ook in het nieuwe wetboek een centrale plaats zal blijven innemen. Het OM heeft onder meer tot taak op te komen voor de belangen van het slachtoffer’ (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 6).
Buruma meent dat er een tendens is tot ‘een beginselplicht tot handhaving’ (Buruma 2015). Eender: Spek 2010. Van belang ook is dat Buruma meent dat een ruimere rechterlijke controle geen afbreuk doet aan de politieke verantwoording voor het vervolgingsbeleid, of dat beleid zou ondergraven. Dat beleid immers, vormt het uitgangspunt van handelen. Waar voor wordt gepleit is een contextuele rechterlijke toetsing. Ook Cleiren en Frielink wijzen op de ‘praktische betekenis’ van het opportuniteitsbeginsel (Cleiren en Frielink 2010, p. 168).
Buruma wijst voorts op het in de Contourennota aangekondigde onderzoek over de grondslagleer (Buruma 2015, p. 321), welk onderzoek inmiddels in opdracht van het WODC is verricht. Zie Stevens e.a. 2016.
Zie Duker 2010, p. 243.
Voor zover het overigens feitelijk de officier van justitie is die de vervolgingsbeslissing neemt. Onder druk van de zaakstroom wordt dit immers in veel gevallen overgelaten aan parketsecretarissen.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 97.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 95.
Zie Van der Leij 2013, aant. 2.
Zie Van der Leij 2013, aant. 2.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 9-12.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 12.
Voorafgaand aan het behandelen van de vraag naar de wenselijkheid van nieuwe procesvormen is het van belang preliminair aandacht te vragen voor twee kwesties: ten eerste de samenhang tussen enerzijds de differentiatie in afdoeningsvormen en de groeiende variatie in strafrechtelijke ‘sancties’ en anderzijds de strafdoelen,1 en ten tweede de veranderende betekenis van het opportuniteitsbeginsel, en in samenhang daarmee, het vervolgingsmonopolie. We noemen beide, maar enkel de tweede werken we nader uit.2
Als eerste aandachtspunt de samenhang tussen procesdifferentiatie en strafdoelen. Een herijking van het sanctiearsenaal en de strafdoelen vormt namelijk het sluitstuk van de uitdijende werkingssfeer van het strafrecht als maatschappelijk stuurmiddel. Het appel op het strafrecht en de reactie daarop vanuit de strafrechtspleging suggereert dat er heldere strafdoelen zijn die worden gediend met strafrechtelijke interventies, en dat deze bovendien ‘effectief’ zijn. De maatschappelijke problematiek die voorligt in het buitengerechtelijk spoor is echter uiteenlopend van aard, en omvat zowel eenvoudige, veel voorkomende criminaliteit als high impact criminaliteit met grote maatschappelijke gevolgen. Dat roept niet alleen de vraag op of niet moet worden gedifferentieerd in de binnen het buitengerechtelijk spoor te bieden rechtsbescherming, maar ook de vraag welke strafdoelen worden gediend met dergelijke strafrechtelijke interventies. Dit preadvies richt zich primair op de vraag inzake de rechtsbescherming, maar ook de vraag naar de rol van de verschillende strafdoelen binnen de context van buitengerechtelijke afdoening verdient nadere overdenking. Wij volstaan op deze plaats met de constatering dat het denken in termen van strafdoelen met name geschiedt in relatie tot sanctionering door de rechter. Er is evenwel geen aanleiding dit niet ook te doen voor de sanctionering binnen het buitengerechtelijk spoor.
Voor het tweede preliminaire aandachtspunt, het opportuniteitsbeginsel, geldt dat daaraan in de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering niet veel woorden worden gewijd.3 Onterecht, meent Buruma, die expliciet aandacht vraagt voor de wenselijkheid van uitbreiding van de rechterlijke controle op de vervolgingsbeslissing.4 Onzes inziens is dat een terechte oproep aan de wetgever. Buruma wijst erop dat de op stroomlijning gerichte bedrijfsvoering van het Openbaar Ministerie de individuele officier van justitie weinig ruimte laat om een autonome afweging te maken over de opportuniteit van de afdoening. Vanuit de noodzaak tot subsidiair handelen kan dat aanleiding geven tot een rechterlijke correctie.
Nu heeft Buruma de vervolgingsbeslissing, en de daaruit voortvloeiende tenlastelegging op het oog.5 Zijn kritiek richt zich, met andere woorden, op de subsocialiteit, oftewel: de deuk in de rechtsorde. Duker, daarentegen, heeft een meer beperkte reikwijdte van de rechterlijke controle op de vervolgingsbeslissing op het oog; zijns inziens dient die zich te beperken tot een correctie vanwege gewijzigde contextuele omstandigheden van de strafzaak; een niet-ontvankelijkverklaring zou al snel strijd opleveren met de aan het Openbaar Ministerie te gunnen beleidsvrijheid.6 Daarom zou in gevallen waarin de rechter anders oordeelt over de opportuniteit van de strafvervolging volstaan dienen te worden met een toepassing van art. 9a Sr. Zoals in het voorgaande reeds opgemerkt, voorkomt dat echter niet de vorming van justitiële documentatie. Wij scharen ons daarom achter het pleidooi van Buruma voor een ruimere reikwijdte van de rechterlijke toetsing van de vervolgingsbeslissing, en benadrukken in dat verband de wenselijkheid van het principieel meewegen van veranderende omstandigheden binnen de betrokken rechtsverhoudingen die door tijdsverloop kunnen ontstaan.
Een dergelijke verruiming van de rechterlijke toetsing doet onzes inziens geen afbreuk aan de politieke verantwoordelijkheid voor het vervolgingsbeleid.7 Dit beleid blijft het vertrekpunt vormen van de officier van justitie bij het bepalen van de afdoeningsbeslissing.8 Hier betreft het enkel een contextueel ingestoken rechterlijke correctie op de opportuniteit. Die gedachte is de wetgever op zichzelf niet vreemd, nu deze in andere vorm is terug te vinden in de Contourennota waar het gaat om de regeling betreffende het beklag tegen niet-vervolging ex art. 12 Sv. Vertrekkende vanuit de wens het belang van het slachtoffer te bevorderen, wordt voorgesteld de beklagrechter de bevoegdheid te geven om een voorwaardelijk bevel te geven indien het beklag is ingesteld vanuit de wens van het slachtoffer om via strafrechtelijke weg schadevergoeding te vorderen.9 Daarnaast bevat de Contourennota het voornemen tot verruiming van de onderzoeksbevoegdheid van de beklagrechter ex art. 12i Sv. Voorgesteld wordt het Hof de bevoegdheid te geven om via verwijzing naar een raadsheer-commissaris of een rechter-commissaris nader onderzoek te laten plaatsvinden.10 Beide voorstellen wijzen erop dat de wetgever, wanneer het gaat om het bevorderen van de slachtofferbelangen de nodige ruimte ziet voor verruiming van de rechterlijke controle op de vervolgingsbeslissing. Tegen die achtergrond is het wellicht niet vreemd ook de zittingsrechter ruimere mogelijkheden tot toetsing van de vervolgingsbeslissing te verlenen, opdat ook de verdachte in voorkomende gevallen kan profiteren van veranderende omstandigheden die de initiële afdoeningsbeslissing in een ander daglicht stellen.
In dit verband is het ook van belang er op te wijzen dat de verhouding tussen Openbaar Ministerie en de rechter wat betreft de vervolgingsbeslissing niet in steen is gehouwen. Integendeel, ‘in den beginne’ besliste de rechter en niet het Openbaar Ministerie daarover en was vervolging enkel mogelijk na daartoe verleende rechtsingang.11 Die bevoegdheid was ingegeven door de gedachte dat de rechter het Openbaar Ministerie moest kunnen controleren op diens vervolgingsbeslissingen.12 Weliswaar is dat in algemene zin niet meer het geval en ligt het vertrekpunt tegenwoordig in (de positieve opvatting van) het opportuniteitsbeginsel, maar als gezegd heeft de toegenomen nadruk op het slachtofferbelang er inmiddels toe geleid dat de wetgever bereid is de ruimte die de rechter wordt geboden om de vervolgingsbeslissing te herzien, enigszins te verruimen. Daarbij komt dat de wetgever eerder al heeft voorgesteld de ruimte voor herstelbemiddeling tijdens het strafproces te verruimen. Voorgesteld is om in art. 51h lid 3 Sv niet langer te spreken van ‘veroordeelde’, maar van ‘verdachte’.13 Daarmee creëert de wetgever een wettelijke basis voor de rechter om toepassing van herstelrecht anders dan in het kader van een strafrechtelijke veroordeling mogelijk te maken. Ten slotte liggen ook in de voorstellen betreffende de verbetering van de regie binnen het strafproces aanwijzingen besloten die erop wijzen dat de wetgever de wens koestert het vooronderzoek beter te benutten ten behoeve van een adequate afdoening van de strafzaak.14 Gesproken wordt van een ‘beweging naar voren’.15 Nu heeft de wetgever hier weliswaar een betere voorbereiding, en daarmee vlotte doorloop en afhandeling van de strafzaak op het oog, maar samen met de genoemde ruimte voor correctie ten behoeve van het slachtofferbelang liggen hier onzes inziens aanknopingspunten voor nieuwe procesmodaliteiten die mede ten voordele van de verdachte kunnen strekken.