Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.7.4
6.7.4 De mislukking van het hoorrecht
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687216:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bureau Bartels B.V., Medezeggenschap pensioengerechtigden bij rechtstreeks verzekerde regelingen, Eindrapport, juni 2010, p. 18.
Bureau Bartels B.V., Medezeggenschap pensioengerechtigden bij rechtstreeks verzekerde regelingen, Eindrapport, juni 2010, p. 24-25.
CSO, Reactie op het voorontwerp van Wet versterking bestuur pensioenfondsen, augustus 2011, p. 6. CSO stelde als alternatief voor het oordeelsrecht een ‘Pensioenraad’ voor met dezelfde rechten als een deelnemersraad, waarvan de zetels zouden worden verdeeld over gepensioneerden, actieven en werkgever.
Uit de evaluatie blijkt dat er ook verenigingen zijn met andere statutaire doelstellingen dan de belangenbehartiging van ex-werknemers en is die doelstelling benadrukt als vereiste: STAR en Verbond van Verzekeraars, Evaluatie Code rechtstreeks verzekerde regelingen, 21 december 2018, p. 2 en p. 8. Hierover ook B. van der Goes, ‘De Code Rechtstreeks verzekerde regelingen: governance voor pensioenverzekeraars en werkgevers’, PM 2019/63.
STAR en Verbond van Verzekeraars, Evaluatie Code rechtstreeks verzekerde regelingen, 21 december 2018, p. 3.
SER-advies van juni 2014, Instemmingsrecht OR inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen, nummer 2014/05, p. 22.
E. Schop, ‘Instemmingsrecht OR: twee punten’, PM 2016/56; S.H. Kuiper en R.H. van het Kaar, ‘Ondernemingsraad en pensioen’, TRA 2014/42. Kuiper en Van het Kaar pleiten ervoor de adviesrechten uit de code te codificeren in artikel 25 WOR, of om nakoming van de code verplicht te stellen met een voorhangprocedure. Zie ook C.M.C.P. van Herpen-Thuring, S.H. Kuiper en E. Schop, ‘Wijziging via de OR’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 108; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2015, p. 237. E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 632, oppert dat het onder omstandigheden denkbaar is dat een besluit teruggedraaid moet worden als gevolg van een totstandkomingsgebrek bij dit besluit. Daar lijkt mij de code onvoldoende grondslag voor te bieden.
Hierover Kamerstukken I 2003/04, 28179, D, p. 1-2, waarin de minister stelde: ‘(…) ben ik van oordeel dat opstellers van een code zonder een formele, in de wet opgenomen grondslag, geen regelgeving of inhoudelijk algemeen verbindende voorschriften kunnen vaststellen. Evenmin kan een commissie op basis van zelfregulering de naleving van de code of de rechtsgevolgen bepalen. De gebondenheid wordt bepaald door de geadresseerden van de norm. Zij kunnen verklaren dat zij zich aan (onderdelen van) de code houden. Aan die verklaring kunnen rechtsgevolgen worden verbonden’.
S.W.A.M. Visée, ‘In slakkengang naar een beter bestuur bij pensioenfondsen’, TPV 2011/26; S.W.A.M. Visée, ‘Het bestuurs- en toezichtsmodel van pensioenfondsen’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 67.
B.F. Assink, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 23-25.
Zie de samenvatting van de eindevaluatie van het medezeggenschapsconvenant in Kamerstukken II 2008/09, 31537, nr. 7, p. 23. In de literatuur – overigens van vóór de inwerkingtreding van de Wbp in 2000, ten tijde van de Wet persoonsregistraties – werd overigens wel aangenomen dat wanneer een vereniging van gepensioneerden het pensioenfondsbestuur om hulp vroeg bij het werven van leden, het pensioenfondsbestuur zijn medewerking in het algemeen niet mocht weigeren: P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 302-303 en R.A.C.M. Langemeijer, Verplichte bedrijfspensioenfondsen, Deventer: Kluwer 1997, p. 36-37. W.A. van Zelst, Pensioen- en spaarfondsenwet, Deventer: Uitgeverij Fed 1995, p. 42, meent dat het pensioenfonds door privacywetgeving niet bevoegd is namen en adressen ter beschikking te stellen, en zoekt een praktische oplossing in een bemiddelde rol van het pensioenfonds bij verzending van brieven. Ook E. Lutjens, De Wet Bpf, 50 jaar verplichte bedrijfspensioenfondsen, Deventer: Kluwer 1999, p. 183-184, meent dat het (behoudens instemming) onder de Wet persoonsregistraties niet mogelijk was om persoonsgegevens te verstrekken aan een vereniging van gepensioneerden, wat hun medezeggenschap in de weg stond.
Zo ook: L.H. Blom, ‘Van evaluatie PFG en medezeggenschap naar modernisering governance pensioenfondsen’, P&P 2011/1/2, p. 16.
Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 3, p. 10. De Raad van State meende dat deze verplichting niet voldeed aan de Wbp, omdat de verplichting persoonsgegevens te verstrekken niet noodzakelijk en evenredig zou zijn. De initiatiefnemers pasten bij nota van wijziging het wetsvoorstel op dit punt daarom aan, door pensioenfondsen te verplichten mee te werken aan de verstrekking van informatie aan gepensioneerden over het voornemen tot oprichting of over het bestaan van een vereniging van gepensioneerden: Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 4, p. 12-13. De regering steunde deze verplichting: Kamerstukken II 2009/10, 28294, nr. 37, p. 10. L.H. Blom, ‘Evaluatie PFG en medezeggenschap van start’, P&P 2008/10, p. 27, en L.H. Blom, ‘Van evaluatie PFG en medezeggenschap naar modernisering governance pensioenfondsen’, P&P 2011/1/2, p. 16, meent dat het pensioenfonds niet mocht weigeren persoonsgegevens ter beschikking te stellen op basis van artikel 8 onder f Wbp. Dat lijkt mij onjuist; dit artikel bevatte geen verplichting tot terbeschikkingstelling en daarnaast kan je vraagtekens zetten bij de noodzaak daarvan. Wel wees hij terecht op de mogelijkheid voor bedrijfstakpensioenfondsen om tot terbeschikkingstelling over te gaan op grond van artikel 6 lid 2 onder e Wet BPF 2000.
Zie in dit kader ook de brief van het College Bescherming Persoonsgegevens van 22 april 2009, kenmerk z2008-01129, te raadplegen via www.autoriteitpersoonsgegevens.nl: het door de ex-werkgever – buiten de ex-werknemer om – kunnen inzien van een adreswijziging die de ex-werknemer na uitdiensttreding heeft opgegeven bij de pensioenverzekeraar geldt als onverenigbaar met het doel waarvoor die gegevens verzameld zijn.
Volgens de code mag wel het sturen van een brief door de werkgever of verzekeraar aan gepensioneerden waarin zij worden geïnformeerd over de oprichting van een vereniging. Daarnaast dient volgens de code de verzekeraar de gepensioneerden bij pensioeningang te informeren over het bestaan van een vereniging. Blijkens de evaluatie (STAR en Verbond van Verzekeraars, Evaluatie Code rechtstreeks verzekerde regelingen, 21 december 2018, p. 3-4) melden zich in de praktijk weinig verenigingen bij verzekeraars.
Uit de evaluatie in 2010 bleek dat het oordeelsrecht slechts bij 3 tot 10% van de (op dat moment) in totaal 46.000 verzekerde pensioenregelingen zinvol kon worden toegepast.1 Dit lage percentage kwam door zowel de strenge voorwaarden die artikel 22 Pw stelt, als door het feit dat het oordeelsrecht alleen zin heeft bij pensioenregelingen met een toegezegde uitkering en niet bij beschikbare premieregelingen. Verder bleek dat de verenigingen van gepensioneerden nog niet van de grond kwamen, waardoor vrijwel nooit het oordeelsrecht daadwerkelijk kon worden uitgeoefend: slechts in 0,5 tot 1% van de gevallen.2 De regering zocht de verklaring daarvoor in onbekendheid bij gepensioneerden en werkgevers, gebrek aan interesse, de beperkte meerwaarde van het oordeelsrecht en de ervaring dat het lastig is een vereniging op te richten die voldoet aan de vereisten van artikel 22 Pw. De evaluatie liet ook zien dat sommige werkgevers vanwege de gebreken aan het oordeelsrecht alternatieve medezeggenschapsvormen hadden opgezet, zoals een ‘pensioencommissie’ (met vertegenwoordigers van OR, gepensioneerden en werkgever) en inspraakmogelijkheden bij bijeenkomsten voor werknemers en gepensioneerden.3 De regering zegde, gelet op het voorgaande, toe de mogelijkheden tot verbetering van het oordeelsrecht te onderzoeken, maar tot op heden zijn geen nadere stappen gezet. Tot verbazing van onder meer CSO besteedde de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, die in de jaren na de evaluatie tot stand kwam, geen woord aan de problematiek.4
Eind 2013 kwam een nieuwe code tot stand van de STAR en het Verbond van Verzekeraars, ter vervanging van de principes voor goed pensioenfondsbestuur uit 2005: de Code rechtstreeks verzekerde regelingen, die inging op 1 juli 2014. Merkwaardig genoeg antwoordde de staatssecretaris, gevraagd naar de status van het onderzoek dat in 2010 werd aangekondigd na de evaluatie van het oordeelsrecht, dat deze code daarvan het uitvloeisel was.5 Merkwaardig, omdat de code geen verbetering bood ten opzichte van de oude STAR Principes uit 2005. De code kent een aantal medezeggenschapsrechten toe aan de vereniging van gepensioneerden, in het bijzonder een adviesrecht over de uitvoeringsovereenkomst, waarbij onder deze vereniging wordt verstaan de vereniging als bedoeld in artikel 22 Pw.6 In afwezigheid van een dergelijke vereniging kwamen deze rechten onder de eerste versie toe aan een ‘vertegenwoordiging van pensioengerechtigden’, die tot doel moet hebben het behartigen van de belangen van pensioengerechtigden en welke vertegenwoordiging een representatieve groep moet vertegenwoordigen. Aangezien gesprekken over de invulling van dit begrip7 niets opleverden, werd dit concept weer geschrapt na de evaluatie (en lichte herziening) van de code in 2019.8 De medezeggenschapsrechten zelf zijn verder vrijwel vergelijkbaar met de oude STAR Principes en opnieuw: niet afdwingbaar, aldus ook de SER.9 De code is de facto oude wijn in nieuwe zakken.
Die niet afdwingbaarheid is het grote manco van de Code rechtstreeks verzekerde regelingen. Meerdere auteurs noemen het daarom terecht een tandeloos instrument.10 Een werkgever handelt volgens hen niet onrechtmatig als hij de code schendt, en bovendien heeft de OR geen processuele middelen om nakoming af te dwingen. Dit zou pas anders worden als de WOR zou bepalen dat nakoming verplicht is. De staatssecretaris dacht daar anders over; zij merkte op dat als een werkgever de code schendt, een OR nakoming wellicht niet kan afdwingen, maar een actie wegens onrechtmatige daad wel mogelijk is.11 Aan die stelling is allereerst opmerkelijk hoe een OR een actie wegens onrechtmatige daad zou moeten instellen, als niet de OR zelf, maar de werknemers die hij vertegenwoordigt schade hebben geleden. Het ligt in de praktijk meer voor de hand dat een gepensioneerde (die niet door de OR vertegenwoordigd wordt) een dergelijke actie instelt tegen zijn ex-werkgever bij schending van de code. Wat die schade is, valt nog wel te beredeneren; in geval van een versoberde indexatie zou je dat moeten kwantificeren als de misgelopen toekomstige indexatie. Wat lastiger te beredeneren is, is waarom schending van een niet afdwingbare code een onrechtmatige daad zou opleveren. Tenzij de ondernemer de verwachting heeft gewekt de code te zullen naleven, lijkt mij dat bijzonder moeilijk.12
Naar aanleiding van de evenmin afdwingbare principes uit 2005 is wel opgemerkt dat deze van belang kunnen zijn bij de invulling van de open norm van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.13 De invulling van artikel 2:8 BW geldt in het algemeen voor codes die worden opgesteld als leidraad met ‘best practices’. Codes kunnen op enig moment de neerslag gaan vormen van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging (vergelijk onder meer artikel 3:12 BW), en zij kunnen doorwerken in de toepassing van open juridische normen waarbij alle omstandigheden van het geval een rol spelen, zoals artikel 2:8 BW.14 Het gaat echter te ver om te zeggen dat een code per definitie artikel 2:8 BW invult; ook hier geldt dat pas als een ondernemer de verwachting wekt een code te zullen naleven, deze niet langer vrijblijvend is. Meer heil valt er wellicht te verwachten van artikel 2:14-16 BW, waarop ik terugkom in paragraaf 6.8.
Ook het lid worden van een vereniging is nog niet vergemakkelijkt, in tegenstelling tot bij pensioenfondsen. Tot de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen in juli 2014 speelde er een hardnekkige discussie ten aanzien van verzoeken van verenigingen van ex-werknemers aan pensioenfondsen om persoonsgegevens ter beschikking te stellen. Deze verenigingen wilden adresgegevens van ex-werknemers om effectief hun rechten op (mede)zeggenschap bij pensioenfondsen uit te kunnen oefenen, maar pensioenfondsen weigerden dit met een beroep op de privacy, naast het minder relevante argument dat dit niet tot de taken van het fonds zou horen. De regering stelde dat de toenmalige Wbp en het Vrijstellingsbesluit Wbp het expliciet mogelijk maakten persoonsgegevens te verschaffen aan verenigingen van ex-werknemers, waardoor er geen wettelijke maatregelen nodig zouden zijn om deze problematiek te ondervangen.15 Nu is het op zich juist dat het Vrijstellingsbesluit Wbp diverse vrijstellingen kende voor ‘verenigingen van oud-personeelsleden’, maar dat betrof slechts vrijstellingen van de meldingsverplichting van artikel 27 Wbp, en dat zei niets over de rechtmatigheid van het verschaffen van persoonsgegevens aan die verenigingen. De problematiek duurde daardoor onverminderd voort.16 Wel creëerde de wetgever separaat via artikel 6 lid 2 onder e Wet Bpf 2000 de mogelijkheid voor bedrijfstakpensioenfondsen om naam, adres- en woonplaatsgegevens te verstrekken aan werknemersverenigingen en verenigingen van gepensioneerden.17 Aangezien het hier een bevoegdheid en geen verplichting betrof,18 was ook dit geen eindoplossing, al helemaal niet voor de ondernemingspensioenfondsen, voor wie in het geheel niets was geregeld. In 2008 werden er stappen gezet met het initiatiefwetsvoorstel van Koşer Kaya en Blok, waarin de initiatiefnemers voorstelden pensioenfondsen te verplichten mee te werken aan de oprichting en instandhouding van een vereniging van gepensioneerden.19 De initiatiefwet werden uiteindelijk achterhaald door de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Overeenkomstig de initiatiefwet staat sindsdien in de Pw dat er een verplichting is voor pensioenfondsen om op verzoek van werknemers(verenigingen) of gepensioneerden(verenigingen) mee te werken aan het verstrekken van informatie over de oprichting van, dan wel het bestaan van een vereniging van gepensioneerden (artikel 115h Pw).20 Daarmee kwam in 2014 een definitief einde aan het beroep door pensioenfondsen op de Wbp om niet aan informatieverzoeken te voldoen; het toenmalige artikel 8 onder c Wbp en nu artikel 6 lid 1 onder c AVG bepalen immers dat een wettelijke verplichting als grondslag mag dienen voor verwerking van persoonsgegevens. Gek genoeg ontbreekt bij deze wettelijke verplichting de (ex-)werkgever, waardoor deze het naar mijn mening op grond van de AVG niet vrij staat adresgegevens van zijn ex-werknemers te delen met de vereniging of anderszins mee te werken aan het verstrekken van informatie.21 Dat maakt het voor verenigingen van ex-werknemers lastig(er) zich te organiseren, daar waar geen sprake is van een pensioenfonds. Dit is ook erkend in de Code rechtstreeks verzekerde regelingen; de verantwoordelijkheid wordt primair bij de gepensioneerden zelf gelegd.22