Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.3.2:10.3.2 Procedurele verplichtingen
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.3.2
10.3.2 Procedurele verplichtingen
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248574:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dölle en Elzinga 2004, p. 554.
Dölle en Elzinga 2004, p. 555.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is dus niet mogelijk om de bevoegdheid tot het vaststellen van de begroting te delegeren en onwaarschijnlijk dat dit kan met betrekking tot de bevoegdheid tot het opstellen van de ontwerpbegroting en de uitvoeringsinformatie. Dit zijn niet de enige beperkingen waarmee het wettelijk kader burgerbegrotingen confronteert. Zij stuiten bij het realiseren van hun ambities ook nog op een aantal (procedurele) beperkingen die te maken hebben met de periode waarvoor de begroting geldt en het moment waarop hij moet zijn vastgesteld.
De begroting geldt op grond van artikel 189 lid 4 Gemeentewet voor de periode van één kalenderjaar. Uit artikel 192 lid 1 Gemeentewet volgt dat er na afloop van het kalenderjaar geen wijzigingen meer op de begroting van dat jaar kunnen worden doorgevoerd. Deze bepaling is voor het eerst geïntroduceerd door de gemeentewetgever van 1992.1 De eerste reden daarvoor hangt samen met de beslissing van een aantal jaar daarvoor om voor gemeenten verplicht een baten en lastenstelsel voor te schrijven (art. 2 lid 1 BBV).2 In een baten en lastenstelsel worden uitgaven en inkomsten toegerekend aan de jaren waarop ze betrekking hebben. Als een nieuwe brug bijvoorbeeld 30 jaar meegaat, dan worden de kosten ervan verspreid over de jaarlijkse begrotingen van die periode van 30 jaar. Volgens de wetgever biedt dit stelsel geen ruimte om na afloop nog uitgaven ten laste te brengen van het verstreken begrotingsjaar of om aan onbesteed gebleven middelen een nieuwe bestemming te geven.3 De tweede reden voor de wetgever om het wijzigen van de begroting na afloop van het begrotingsjaar niet toe te staan, is dat het in strijd is met het karakter van de begroting als beleidsinstrument en met de rekening als verantwoordingsinstrument. Vóór de introductie van wat nu artikel 192 lid 1 Gemeentewet is, was het gangbare praktijk om eventuele discrepanties tussen de (voorlopige) jaarrekening en de eerder vastgestelde begroting weg te nemen door achteraf de begroting zo te wijzigen dat deze in overeenstemming was met de jaarrekening. Daarmee werd er volgens de gemeentewetgever 1992 geen verantwoording meer afgelegd ter gelegenheid van het vaststellen van de jaarrekening, maar door het wijzigen van de begroting.4 Omdat de functie van beide documenten door deze handelswijze onvoldoende tot uitdrukking kon komen, werd het verboden om na afloop van het begrotingsjaar nog wijzigingen door te voeren. Voor burgerbegrotingen betekent dit dat zij, voor zover zij invloed willen uitoefenen op de begroting nadat deze is vastgesteld, hun invloed moeten laten gelden tijdens het jaar waarvoor de begroting geldt.
Ook wanneer burgerbegrotingen invloed willen uitoefenen op de inhoud van de begroting voordat deze is vastgesteld, zijn zij aan bepaalde tijdsbeperkingen gebonden. De begroting moet jaarlijks door de raad worden vastgesteld in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor zij dient. Het college moet daarnaast de vastgestelde begroting op grond van artikel 191 lid 2 Gemeentewet binnen twee weken na de vaststelling maar uiterlijk vóór 15 november aan gedeputeerde staten zenden. Dit betekent dat de raad de begroting uiterlijk op 1 november moet hebben vastgesteld. Van deze termijnen kan niet worden afgeweken, wat betekent dat ook burgerbegrotingen zich in hun proces ernaar moeten schikken. Wanneer zij invloed willen op de begroting vóórdat deze is vastgesteld, dan zullen zij dat moeten bewerkstelligen vóór 1 november. Nu levert dit op zichzelf nog geen al te erge tijdsdruk op, maar in combinatie met de begrotingspraktijk betekent de deadline van 1 november dat burgerbegrotingen weinig tijd hebben om invloed uit te oefenen. De begrotingsbehandeling door de raad kan namelijk pas aanvangen nadat het college een ontwerpbegroting heeft aangeboden (art. 190 lid 1 Gemeentewet). Dit gebeurt pas in het najaar nadat het college eerst aan de hand van de jaarstukken verantwoording heeft afgelegd over de uitvoering van de begroting van het voorgaande kalenderjaar en de raad de mogelijkheid heeft gehad hier een oordeel over te vellen. Een andere opzet zou geen recht doen aan het karakter van de jaarstukken als controle-instrument van de raad. Al met al betekent dit dat er effectief twee maanden overblijven (september en oktober) waarin de raad de begroting behandelt en er een document ligt waarmee burgerbegrotingen zouden kunnen werken. Deze tijdsdruk zal niet behulpzaam zijn voor de ambitie van burgerbegrotingen om tot beredeneerde en onderbouwde keuzes te komen ten aanzien van de invulling van de begroting.