Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.3.3:10.3.3 Verplichte uitgaven
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.3.3
10.3.3 Verplichte uitgaven
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248547:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde belangrijke beperking waar burgerbegrotingen op stuiten, is vastgelegd in artikel 193 Gemeentewet. Op grond van dit artikel moeten een aantal uitgaven verplicht op de gemeentebegroting worden gebracht. Dat zijn:
de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleningen en alle overige opeisbare schulden;
de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn opgelegd;
de uitgaven die voortvloeien uit de van het gemeentebestuur gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn gebracht.
De uitgaven onder a spreken voor zich. Onder b worden uitgaven verstaan die krachtens bijzondere wet aan derden moeten worden gedaan. Dit zijn bijvoorbeeld uitkeringen op grond van de Algemene Bijstandswet of bekostiging van bijzondere scholen op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs.1 Onder c worden uitgaven verstaan die vereist zijn om te voldoen aan taken die rusten op gemeenten op grond van medebewindswetgeving. Naast deze drie soorten verplichte uitgaven zijn er in de literatuur en jurisprudentie nog twee soorten uitgaven aangeduid die de gemeente verplicht moet verrichten. De eerste soort betreft uitgaven die het college moet doen op grond van besluiten of verordeningen die door de raad zijn vastgesteld en waaraan derden rechten kunnen ontlenen. Wanneer de raad deze uitgaven niet op de begroting opneemt, handelt hij onrechtmatig omdat hij het dan onmogelijk maakt uitvoering te geven aan het besluit of de verordening waaruit de uitgaven en de rechten voortvloeien.2 De tweede soort betreft uitgaven die de gemeente verplicht is te doen op grond van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe het college heeft besloten (art. 160 lid 1 sub e Gemeentewet) en die door de burgemeester zijn verricht (art. 171 lid 1 Gemeentewet). Privaatrechtelijk kan de burgemeester de gemeente als rechtspersoon binden aan overeenkomsten. Al in 1849 is door de Hoge Raad in het De Bourbon-arrest bepaald dat het ontbreken van een (afdoende) begrotingspost niet in de weg kan staan aan de rechtsgeldigheid van privaatrechtelijke rechtshandelingen.3 De bevoegdheid van de raad om de (inhoud van) de begroting vast te stellen, wordt door de privaatrechtelijke handelingen niet aangetast, maar de gemeente als rechtspersoon is wel verplicht rechtsgeldige overeenkomsten na te komen. Het college kan daardoor feitelijk de ruimte beperken die de raad heeft om de begroting naar eigen inzicht in te vullen. Al de middelen die besteed moeten worden aan het nakomen van overeenkomsten kunnen immers niet meer aan andere doeleinden worden uitgeven.
Er zijn geen precieze gegevens beschikbaar over het percentage verplichte uitgaven op een gemiddelde gemeentebegroting, maar de overgrote meerderheid van de totale uitgaven valt in één van de bovenstaande categorieën. Verreweg het meeste gemeentelijke beleid wordt immers tot het medebewind gerekend en/of tot beleid waaraan derden rechten kunnen ontlenen. Voor burgerbegrotingen betekent dit dat zelfs als zij een rol zouden kunnen spelen bij de verdeling van middelen, het overgrote deel van die middelen al een vastgelegde bestemming kent waaraan niet getoornd kan worden. Feitelijk is daarmee de ruimte om met middelen te schuiven sterk beperkt.