Zie de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470.
HR, 02-09-2025, nr. 23/00834
ECLI:NL:HR:2025:1213
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-09-2025
- Zaaknummer
23/00834
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1213, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:929
ECLI:NL:PHR:2025:929, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1213
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑08‑2023
- Vindplaatsen
NJ 2025/320 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. hennepteelt (art. 3.B Opiumwet) en diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr). Kon hof in volmacht tot het instellen van hoger beroep geen grief a.b.i. art. 410.1 Sv lezen? O.g.v. art. 410.1 Sv moet appelschriftuur de grieven tegen vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook volmacht tot het instellen van h.b. kan dergelijke grieven bevatten. Onder “grieven” kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen oordeel van rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van beroep vallen. Dit geldt ook voor de in art. 416.1 en 416.2 Sv genoemde mondelinge “bezwaren tegen vonnis” (vgl. HR:2019:251). Aan formulering van grieven (die ook door verdachte zelf kunnen worden ingediend) worden geen hoge eisen gesteld (vgl. HR:2014:1496). Wel moeten opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat inzet van h.b. is. Hof heeft toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv. Hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat in de door raadsvrouw ingediende volmacht tot het instellen van h.b. opgenomen zin dat verdachte “het niet eens is met veroordeling in zaak met parketnummer 13-207596-19” niet kan worden opgevat als grief a.b.i. art. 410 Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is overwogen over eisen waaraan grieven moeten voldoen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 23/00834 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00834
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, nummer 23-002750-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.G.M.C. Peters bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep. Het voert daartoe aan dat het hof ten onrechte niet in de volmacht tot het instellen van hoger beroep een grief als bedoeld in artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft gelezen.
2.2.1
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
2.2.2
Bij de stukken bevinden zich:
- een ‘Volmacht voor en verzoek tot instellen hoger beroep’ die onder meer inhoudt:
“Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596-19
(...)
Hoogachtend,
(handtekening)
B.G.M.C. Peters
(advocaat).”
- een ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep (Kopie raadsman)’ waarop staat vermeld:
“Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekwensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 21 weken na de datum van de ROLZITTING is afdoende.”
2.2.3
Het onderschrift bij de dagvaarding voor de rolzitting, zoals weergegeven onder 2.2.2, houdt onder meer in dat het hof ervan uitgaat dat “geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld” en dat aan de verdediging de mogelijkheid wordt geboden alsnog schriftelijk voorafgaand aan de rolzitting of mondeling op die rolzitting bezwaren op te geven. Door of namens de verdachte is daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 410 lid 1 Sv:
“1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. (...)”
“1. (...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.4
Op grond van artikel 410 lid 1 Sv moet een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep kan dergelijke grieven bevatten. Onder ‘grieven’ kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Dit geldt ook voor de in artikel 416 leden 1 en 2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. (Vgl. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251.) Aan de formulering van de grieven - die ook door de verdachte zelf kunnen worden ingediend - worden geen hoge eisen gesteld (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rechtsoverweging 2.40). Wel moeten de opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is.
2.5
Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de in de door de raadsvrouw van de verdachte ingediende volmacht tot het instellen van het hoger beroep opgenomen zin dat de verdachte “het niet eens is met veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596-19” niet kan worden opgevat als grief als bedoeld in artikel 410 Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 2.4 is overwogen over de eisen waaraan grieven moeten voldoen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
4.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 416.2 Sv. M1 klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat geen schriftuur houdende grieven is ingediend. M2 bevat klacht over schending art. 416.2 Sv en art. 14.5 IVBPR. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/00836.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00834
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2022 waarbij de verdachte wegens 1. ‘het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’, is veroordeeld tot 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/00836. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.G.M.C. Peters, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof een schrijven van de verdachte d.d. 2 maart 2023 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een schriftuur in de zin van art. 410, eerste lid, Sv, en derhalve de verdachte, die niet ter terechtzitting van het hof was verschenen, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 16 februari 2023, houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte, gedagvaard als
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als twee dagen voor de zitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (SKDB) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
De raadsheer stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden.
De raadsheer verleent namens het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal voert het woord en leest haar vordering voor. Zij vordert de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep. Deze vordering wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.
Na kort beraad verklaart de raadsheer het onderzoek gesloten en deelt de uitspraak direct mede.
De raadsheer spreekt het arrest uit.’
6. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
‘Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
7. De ‘akte instellen hoger beroep’ houdt onder meer het volgende in:
‘Op 20 oktober 2022 kwam ter griffie van deze rechtbank, [naam 1], ambtenaar ter griffie dezer rechtbank, die verklaarde blijkens bijgevoegde volmacht door na te noemen person bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van een hoger beroep, namens mr. B.G.C.M. Peters, advocaat te Amsterdam
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]
wonende te [b-straat 1] , [plaats]
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie Amsterdam, op 05 oktober 2022 gewezen.
Hoewel de volmacht is ontvangen op 19 oktober 2022, is de akte opgemaakt op 20 oktober 2022. Registratiedatum: 19 oktober 2022’
8. De bijgevoegde ‘Volmacht voor en verzoek tot instellen hoger beroep’ houdt het volgende in:
‘Geachte heer, mevrouw,
Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596-19
Het gaat om de volgende cliënt en zaak:
Naam : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1982
Parketnummer : 13/207596-19
Vonnis politierechter : 05-10-2022
Bovenstaand adres kan worden gebruikt om cliënt op te roepen c.q. te dagvaarden. Indien nodig, stemt cliënt ermee in dat u als griffiemedewerker de oproep c.q. dagvaarding voor de zitting in hoger beroep direct, namens hem, in ontvangst neemt.
Ik verzoek u vriendelijk mij per ommegaande afschrift van de appelakte te doen toekomen. En indien van toepassing uiteraard ook de appeldagvaarding.
Hoogachtend,
[handtekening]
B.G.M.C. Peters
(advocaat)’
9. Uit de toelichting begrijp ik dat de steller niet uit een schrijven van 2 maart 2023 (dat is ook een datum die gelegen is na het wijzen van het arrest) afleidt dat een schriftuur houdende grieven is ingediend, maar dat de zin inhoudende dat ‘hij het niet eens is met veroordeling in de zaak met parketnummer 13-207596-19’ een ‘bezwaar en grief tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg’ zou zijn.
10. Artikel 416, tweede lid, Sv houdt het volgende in:1.
‘Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.’
11. Uit artikel 410, eerste lid, Sv kan worden afgeleid dat de wetgever bij de ‘schriftuur, houdende grieven’ heeft gedacht aan een (schriftelijk) stuk dat (binnen veertien dagen) na het instellen van het hoger beroep wordt ingediend. Uit rechtspraak van Uw Raad kan evenwel worden afgeleid dat ook een schriftelijke bijzondere volmacht waarin grieven tegen het vonnis zijn verwoord als een schriftuur, houdende grieven, kan worden aangemerkt.2.
12. Bezwaren van verschillende aard kunnen als ‘grieven’ worden aangemerkt. In een arrest van Uw Raad van 30 oktober 2018 had de officier van justitie in zijn appelschriftuur aangegeven dat hij hoger beroep had ingesteld omdat de betreffende zaak en de zaak tegen een andere verdachte ‘zo nauw met elkaar verweven zijn, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de kwekerij, dat zij gelijktijdig aan het Hof dienen te worden voorgelegd’.3.Uw Raad overwoog dat ‘onder “grieven” als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen vallen.’4.Het hof had deze reden voor het instellen van hoger beroep als een grief kunnen aanmerken.
13. Anders was de uitkomst in een arrest van 19 februari 2019.5.De raadsman had ter terechtzitting aangegeven dat het belang van het hoger beroep ‘heel beperkt’ was. Na het onherroepelijk worden van de uitspraak zou het rijbewijs van de verdachte ongeldig zijn; in dat geval zou hij opnieuw rijexamen moeten afleggen en daarom moest hij weer rijlessen nemen. Verdachte wilde ‘vlak voor het rijexamen het hoger beroep of het in te stellen beroep in cassatie weer intrekken. Dat is de achtergrond van het hoger beroep. Cliënt zou graag zien dat het vonnis wordt bekrachtigd’. Het hof oordeelde dat dit niet als een grief tegen het vonnis viel aan te merken en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep. Die beslissing bleef in cassatie in stand.6.
14. Aan de precisie waarmee de bezwaren tegen het vonnis of de andersoortige gronden voor het instellen van hoger beroep zijn verwoord, worden niet hele hoge eisen gesteld. Uit een arrest van 15 februari 2011 zou kunnen worden afgeleid dat Uw Raad het aankruisen van het hokje bij de voorgedrukte tekst ‘het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde feit’ bij een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep onvoldoende vond.7.Met annotator Kooijmans (noot onder NJ 2019/121) kunnen bij deze uitspraak evenwel vraagtekens worden gezet, nu het aankruisen van dit hokje helder weergeeft ‘waarop de pijlen van het Openbaar Ministerie zich in appel zullen richten’. Bij de verdachte is wel aangenomen dat het plaatsen van een kruisje bij een voorgedrukte tekst op een grievenformulier als een ‘grief’ kwalificeert.8.
15. Naar het mij voorkomt kan aan de formuleringen die op het grievenformulier worden gebezigd, bezien in het licht van de ratio van de eis dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep grieven of bezwaren worden geformuleerd, een indicatie worden ontleend van de precisie waarmee een bezwaar dient te zijn geformuleerd, wil het een grief in de zin van de artikelen 410 en 416 Sv opleveren. De ratio van de eis dat grieven of bezwaren worden geformuleerd, is dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep duidelijk dient te zijn wat (de bezwaren en) de geschilpunten zijn.9.Dat hangt samen met de keuze voor het concept van het voortbouwend appel.10.Als de verdachte of zijn advocaat op een voorgedrukt grievenformulier kruisjes zet bij formuleringen die bezwaren tegen het vonnis behelzen, mag hij er – meen ik – van uitgaan dat hij ‘grieven’ tegen het vonnis heeft ingediend.11.Als de verdachte of zijn advocaat zelfstandig bezwaren heeft geformuleerd, bieden die formuleringen een indicatie bij de beoordeling of sprake is van (voldoende precieze) bezwaren die (direct) gericht zijn tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg (dan wel van andersoortige gronden voor het instellen van het beroep).
16. De advocaat die namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, heeft in de volmacht enkel gesteld dat de verdachte ‘het niet eens is’ met de veroordeling. In de volmacht wordt niet toegelicht waarom de verdachte het niet eens is met de veroordeling. Daarvoor kunnen tal van redenen bestaan. De verdachte kan van mening zijn dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend, dat de rechter niet bevoegd was, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging of dat een vrijspraak had moeten volgen. De verdachte kan ook van mening zijn dat hij op grond van een strafuitsluitingsgrond had moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dat strafoplegging achterwege had moeten blijven of dat de opgelegde straf te zwaar is. De gebezigde formulering maakt niet duidelijk welk bezwaar of welke van deze bezwaren de verdachte heeft. Het grievenformulier maakt het niet mogelijk met een zo algemene formulering te volstaan.12.Van de andere kant benaderd: de geformuleerde reden voor het instellen van hoger beroep bevat weinig informatie die niet reeds uit de beslissing tot het instellen van hoger beroep volgt.
17. Een en ander brengt mee dat het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is.
18. Het middel faalt.
19. Het tweede middel bevat een klacht over schending van artikel 416, tweede lid, Sv en artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Aangevoerd wordt dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsheer verstek verleent tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan, en dat dit impliceert dat de zaak inhoudelijk wordt beoordeeld terwijl in de dagvaarding staat dat deze zaak niet inhoudelijk wordt beoordeeld. De steller van het middel beroept zich daarbij op de tekst in ‘de dagvaarding van de rolzitting van 6 januari 2023 (zie bijlage)’.
20. Die bijgevoegde bijlage betreft een aan de raadsman van de verdachte gericht schrijven, kennelijk een afschrift in de zin van artikel 48 Sv, met de tekst ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep’ waarin de advocaat-generaal hem mededeelt ‘dat op donderdag 16 februari 2023 te 12:00 uur’ een ‘ROLZITTING’ wordt gehouden bij het gerechtshof Amsterdam. En dat de verdachte in hoger beroep terecht moet staan ‘terzake van het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding(en), met inbegrip van eventuele in eerste aanleg door het OM gevorderde en door de rechtbank toegestane wijzigingen, vanwege de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betekend onder parketnummer 13-207596-19, met verwijzing naar de mededelingen aan de onderzijde van deze dagvaarding.’ In dit geschrift staat onderaan vermeld:
‘Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekwensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 21 weken na de datum van de ROLZITTING is afdoende.’
21. Uit deze tekst blijkt dat de (rol)zitting is bedoeld om de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid te stellen bezwaren tegen het vonnis op te geven, dat tijdens de behandeling (voor de raadsman en de verdachte) niet de mogelijkheid bestaat om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of onderzoekswensen op te geven, en dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep als de raadsman of de verdachte niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis.
22. Daarmee heeft dit schrijven de raadsman toereikend geattendeerd op de mogelijkheid dat het ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk zou worden verklaard als de raadsman en de verdachte niet zouden verschijnen. Van schending van artikel 416, tweede lid, Sv of artikel 14, vijfde lid, IVBPR is geen sprake.
23. Het middel faalt.
24. Beide middelen falen; in ieder geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Vgl. – de conclusie van A-G Frielink voorafgaand aan – HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1391. Frielink verwijst naar – de conclusie van A-G Spronken voorafgaand aan – HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1466.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121 m.nt. Kooijmans.
Vgl. in dat verband HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175 m.nt. Mevis. Het oordeel dat ‘de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg’ niet als een schriftuur houdende grieven kon worden aangemerkt, gaf blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in de opgave van één of meer getuigen in de appelschriftuur ligt besloten dat deze grieven bevat (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.40). Zie nader G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1002
HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122 m.nt. Kooijmans.
Vgl. ook HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1555, NJ 2019/420. Het hof had hetgeen door de raadsman naar voren was gebracht, ‘in de kern slechts inhoudende dat de verdachte boos was omdat hij, net als eerder in een andere zaak, niet was opgehaald om bij de terechtzitting aanwezig te zijn’ niet aangemerkt als een grief of bezwaar. Dat oordeel gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.
HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079.
Zie bijvoorbeeld – de conclusie van A-G Aben voorafgaand aan - HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:608 en eerder HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:207.
Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 8 en 11.
Vgl. in een wat ander verband HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1941.
Beroepschrift 24‑08‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Griffie nummer Hoge Raad
S 23 / 0834
Cassatieschriftuur
Inzake [verdachte]
Requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gegeven uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam 16 februari 2023
Parketnummer 23 / 002750-22
Ondergetekende B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie
dient het volgende middel van cassatie in.
Middel I van cassatie
Het recht is geschonden en /of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 416 lid 2 Sv, en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, omdat het Hof een schrijven van requirant d.d 2 maart 2023 niet heeft aangemerkt als schriftuur in de zin van art. 410 lid 1 Sv en requirant, die niet ter terechtzitting van het Hof was verschenen, derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep heeft verklaard.
Middel II van cassatie
Het recht is geschonden en /of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 416 lid 2 Sv, en artikel 14 lid 5 IVBPR en/of verzuim van vormen omdat de rolzitting geen inhoudelijke behandeling is die recht doet aan hetgeen bepaald wordt in artikel 14 IVBPR, te weten:
‘Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet’.
— Arrest gerechtshof 16 februari 2023
Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep.
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondelinge bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat gediend is met enig onderzoek van de zaak.
Om die reden wordt de verdachte niet ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.
Toelichting middel I:
1.
Uw Raad heeft in HR 01 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 overwogen:
‘Ingevolge art. 410, eerste lid, Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. In die bepaling worden geen nadere materiële eisen gesteld waaraan de appelschriftuur, die ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, dient te voldoen terwijl die schriftuur aan belang heeft gewonnen door de mogelijkheid om daarin getuigen op te geven met consequenties voor de bij de beoordeling daarvan aan te leggen maatstaf. Daarom ligt in de rede aan de formulering van de grieven thans geen hoge eisen te stellen (…).’
2.
Een voorbeeld van de niet te hoge eisen die aan een appelschriftuur worden gesteld vormt HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1636, waarin de verdachte een briefje had geschreven met als inhoud:
‘Ik ben van mening dat dit niet klopt, met deze parketnummers en dat het hof de juiste toetsing niet gebruik dat komt neer op niet ontvankelijk.’
Uw Raad oordeelde dat de verdachte had voldaan aan zijn ‘stelplicht’ om in de appelschriftuur grieven tegen het vonnis op te geven.
3.
Dit geld ook voor HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, waarin de verdachte als reden voor het ingestelde hoger beroep had opgegeven:
‘Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest omdat: ik er niet op de hoogte van was (verhuizing).’
Ook hierin werd door Uw Raad een opgave van grieven tegen het vonnis gezien, terwijl deze grief toch niet de inhoud van het vonnis van de Rechtbank betrof.
4.
In HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002 is door Uw Raad dan ook overwogen:
‘Een en ander brengt mee dat onder ‘grieven’ als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen vallen.’
5.
Op 19 oktober 2022 stuurt de advocaat van requirant een volmacht voor en verzoek tot het instellen hoger beroep. Dit wordt als volgt geformuleerd.
‘Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met de veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596.’
6.
Gemachtigde van requirant heeft aan de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen laten weten waarom requirant hoger beroep wil instellen, namelijk omdat hij het niet eens is met de veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596. Dit is een bezwaar en grief tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg.
7.
Requirant is het niet eens met de veroordeling waarmee een taakstraf is opgelegd van 120 uren in de zaak met het parketnummer 13-207596. Dat requirant het niet eens is met deze veroordeling is behalve een bezwaar maar ook een evident te respecteren belang.
8.
In de dagvaarding van het ressortsparket Amsterdam, verstuurd op 5 januari 2023 staat vermeld over de rolzitting:
‘Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de zaak inhoudelijk behandeld zal worden.’
9.
Requirant begrijpt niet dat het hof stelt dat er geen bezwaren/grieven tegen het vonnis zijn opgegeven.
10.
In aanmerking genomen dat aan de formulieren van grieven als bedoeld in artikel 410 eerste lid Sv geen hoge eisen worden gesteld moet uit de volmacht tot het instellen van het hoger beroep afgeleid worden dat namens de verdachte een grief is ingediend. Het andersluidende oordeel van het Hof, dat verdachte geen schriftuur inhoudende grieven heeft ingediend c.q. dat er niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang van requirant dat gediend is met enig onderzoek van de zaak, is daarmee onbegrijpelijk.
11.
Requirant verzoekt u dit middel gegrond te verklaren, het arrest te vernietigen.
Toelichting middel II
12.
In het arrest stelt het Hof vervolgens dat niet gebleken is van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Hiermee wordt geïmpliceerd dat het Hof de zaak inhoudelijk beoordeeld heeft.
13.
In de dagvaarding van de rolzitting staat dat tijdens de behandeling niet de mogelijkheid bestaat om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. De behandeling is enkel bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld.
14.
In artikel 416 lid 2 Sv staat dat ook als het Hof dit artikel toepast het steeds ambtshalve zal hebben te doen ‘hetgeen overigens nodig is’ zoals bepaald in artikel 415 lid 2 Sv. De rechter die tot de beslissing van art. 416 lid Sv overgaat zal steeds ambtshalve dienen na te gaan of er redenen zijn om toch tot de behandeling van de zaak over te gaan.
15.
Dat er geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt wordt aangekondigd in de dagvaarding van de rolzitting van 6 januari 2023 (zie bijlage). Onderaan de dagvaarding staat vermeld:
‘Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld.’
16.
Requirant wordt aangezegd dat de zaak niet inhoudelijk behandeld wordt. Dit blijkt ook uit de reactie van de Advocaat-Generaal op zitting. Deze gaat niet inhoudelijk in op de zaak. Enkel de uitreiking van de dagvaarding wordt besproken.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als twee dagen voor de zitting van heden en hedendoor middel van een geautomatiseerde informatiesystemen (SKDB) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
De raadsheer stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden.
De raadsheer verleent namens het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal voert het woord en leest haar vordering voor. Zij vordert de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep. Deze vordering wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.
Na kort beraad verklaard de raadsheer het onderzoek gesloten en deelt de uitspraak direct mede. De raadsheer spreekt het arrest uit.
17.
Uit het proces verbaal blijkt dat tijdens de rolzitting enkel wordt gecontroleerd of de dagvaarding juist betekend is.
18.
Vervolgens staat in het proces verbaal van de zitting dat de raadsheer verstek verleent tegen de niet verschenen verdachte en vervolgens beveelt dat met de behandeling van de zaak wordt voortgegaan. Dit impliceert dat de zaak inhoudelijk beoordeeld wordt, terwijl in de dagvaarding duidelijk staat dat de zaak niet inhoudelijk beoordeeld wordt.
19.
Deze gang van zaken is voor requirant onbegrijpelijk met name dat het Hof stelt dat niet gebleken is van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak terwijl het hof tijdens de zitting enkel controleert of de dagvaarding betekend is.
20.
Zonder het dossier inhoudelijk te kennen zou de ten onrechte veroordeling en de daarbij opgelegde taakstraf van 120 uur al enig rechtens te respecteren belang zijn voor nader onderzoek van de zaak c.q. een inhoudelijke behandeling. De motivering van het arrest is onbegrijpelijk voor requirant.
21.
Dat requirant vervolgens de mogelijkheid heeft om cassatie in te stellen impliceert niet dat er voldaan is aan hetgeen in artikel 14 lid 5 IVBPR gesteld wordt. Bij een cassatieprocedure wordt niet meer inhoudelijk naar de zaak gekeken.
22.
De HR stelt dat de beslissing als bedoeld in art. 416 tweede lid Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat diens oordeel daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. ECLI:NL:PHR:2012:BW5169.
23.
Nu het Hof op voorhand in de dagvaarding duidelijk aangeeft de zaak niet inhoudelijk te behandelen op zitting, is het onbegrijpelijk hoe het Hof de omstandigheden van het geval heeft kunnen wegen en waarderen. De enkele omstandigheid dat requirant niet verschenen is op een zitting waarvoor 5 minuten gepland is en waarbij vooraf duidelijk wordt aangegeven dat er inhoudelijk niet op de zaak wordt ingegaan mag hierbij niet doorslaggevend zijn c.q. is in strijd met hetgeen bepaald wordt in artikel 14 lid 5 IVBPR.
24.
Deze rolzitting zonder inhoudelijke behandeling is niet slechts een beperking van de van de behandeling van de zaak. De zaak wordt tijdens deze zitting in het geheel niet inhoudelijk behandeld en vormt daarmee een aanzienlijke beperking van de reikwijdte van het appel.
25.
In aanmerking genomen dat het Hof vooraf duidelijk te kennen geeft de zaak niet inhoudelijk te behandelen, zoals blijkt uit de bijgevoegde dagvaarding, er uit het proces verbaal van de zitting blijkt dat er geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, is de motivering van het arrest, dat er een onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en/of de belangen van enig rechtens te respecteren belang van requirant is gewogen onbegrijpelijk.
26.
Requirant verzoekt u dit middel gegrond te verklaren, het arrest te vernietigen.
Conclusie
Op grond van voorafgaande cassatiemiddelen is het arrest van het Hof onbegrijpelijk gemotiveerd, met onvoldoende redenen omkleed en kan naar het oordeel van requirant het arrest van het Hof niet in stand kunnen blijven waarom requirant u verzoekt het arrest te vernietigen en terug te verwijzen.
Amsterdam, 24 augustus 2023
B.G.M.C. Peters
Gemachtigde
- —
Bijlage dagvaarding verdachte in hoger beroep