Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/8.2.3
8.2.3 Vermelding van de wijze van verdeling
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4:26 Awb. Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 49.
Artikel 4:26 Awb. Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 48.
Een tweede bezwaar tegen het vaststellen van een subsidieplafond en de -criteria bij separaat besluit is dat een dergelijk besluit aangemerkt wordt als concretiserend besluit van algemene strekking. Dit heeft tot gevolg dat een separaat vaststellingsbesluit appellabel is, maar eenzelfde bepaling in een subsidieregeling of beleidsregel zelf niet. Omdat dit aspect los staat van de transparantie, laat ik dit punt hier rusten en volsta ik met een verwijzing naar ABRvS 3 januari 2007, AB 2007/224, m.nt. W. den Ouden en CBb 3 juni 2009, AB 2009/374, m.nt. C.J. Wolswinkel.
In de memorie van toelichting bij de Awb wordt gesteld dat de beleidsregel nimmer volledig kan binden. Dan zou de beleidsregel immers volledig de werking van een wettelijk voorschrift verkrijgen, ondanks de omstandigheid dat de in onze rechtsstaat daarvoor vereiste bevoegdheidsverlening bij wettelijk voorschrift ontbreekt. ‘Daarnaast wordt gesteld dat alleen in bijzondere gevallen afgeweken kan worden van een beleidsregel. Een structurele afwijking zal uit oogpunt van rechtszekerheid door middel van wijziging van de beleidsregel moeten worden gerealiseerd. Een incidentele afwijking in een normaal geval zou snel in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel’ (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 122 en 124-125).
In de memorie van toelichting wordt gesteld: ’De afwijkingsbevoegdheid moet bij alle beleidsregels onder meer met inachtneming van de artikel 3:2 en 3:4 worden uitgeoefend. De door artikel 3:4 binnen de grenzen van de wet geëiste belangenafweging is daarbij van bijzonder belang indien de te overwegen afwijking gunstig is voor de ene belanghebbende, maar ongunstig voor een andere belanghebbende (bijv. Afd. rechtspraak 30 april 1977, AB 1977/308; Afd. rechtspraak 9 mei 1978, AB 1979/223). Afwijking is namelijk, anders dan de Raad voor het Binnenlands Bestuur in zijn advies veronderstelt, ook ten nadele van een burger mogelijk, en wel wanneer toepassing van de beleidsregel in een bijzonder geval onevenredige gevolgen zou hebben voor een andere belanghebbende – het bestuursorgaan zelf daaronder begrepen.’ (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 125-126)
O.a. HvJ EU 18 november 2010, C-226/09, NJ 2011/87, en HvJ EG 4 december 2003, nr. C-448/01, NJ 2004/234 (Wienstrom).
ABRvS 20 oktober 2010, JB 2011/3, m.nt. M.J. Jacobs en AB 2011/232, m.nt. W. den Ouden.
Bij de bekendmaking van het subsidieplafond moet ook de wijze van verdeling worden vermeld. In de memorie van toelichting wordt expliciet gesteld dat potentiële subsidieaanvragers bij de inrichting van hun aanvraag rekening moeten kunnen houden met de vastgestelde verdeelmaatstaven. Daarom moet bij de bekendmaking van het subsidieplafond worden vermeld waar die maatstaven zijn neergelegd.1
Ook de wijze van verdeling moet bij of krachtens wettelijk voorschrift worden bepaald. Deze verplichting is echter beperkt. In het wettelijk voorschrift zelf zou volstaan kunnen worden met het enkel noemen van de gekozen verdeelmethode, bijvoorbeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen of door een onderlinge vergelijking. De criteria op basis waarvan de aanvragers bij een onderlinge vergelijking geselecteerd worden, zouden blijkens de memorie van toelichting ook neergelegd kunnen worden in een op grond van het wettelijk voorschrift vastgesteld plan dat de beleidsprioriteiten aangeeft.2 Deze beleidsprioriteiten worden vaak vastgelegd in beleidsregels. Het vaststellen van de selectiecriteria in beleidsregels is mijns inziens echter onwenselijk, gelet op de inherente afwijkingsbevoegdheid bij beleidsregels.3Artikel 4:84 Awb bepaalt immers dat een bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.4 Deze inherente afwijkingsverplichting moet ook worden toegepast als dit ten nadele van derden zou zijn.5 Op grond van het transparantiebeginsel is het echter van groot belang dat de criteria gedurende de gehele procedure op dezelfde wijze worden toegepast.6 Alleen op deze wijze wordt gegarandeerd dat alle potentiële subsidieontvangers op dezelfde manier worden behandeld. Op dit moment is het mogelijk dat een onderneming een subsidieaanvraag indient die niet aan de subsidiecriteria voldoet, maar in zijn aanvraag betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de beleidsregel rechtvaardigen. Tegelijk kan een andere onderneming die in dezelfde bijzondere omstandigheden verkeert, besloten hebben geen aanvraag in te dienen, omdat hij toch niet aan de criteria voldeed. Door toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid wordt een ongelijkheid gecreëerd. De mogelijkheid om af te wijken van de criteria is daarmee ondoorzichtig. Ik zou er dan ook voor willen pleiten om in de Awb te bepalen dat ofwel de subsidieverleningscriteria ook bij wettelijk voorschrift moeten worden vastgesteld, ofwel artikel 4:84 Awb niet van toepassing is bij subsidieverlening met een subsidieplafond.
Een voorbeeld van een procedure waarbij beleidsregels tot ontransparante subsidieverlening hebben geleid, is de uitspraak Coach4Kids.7 Burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hadden Pier K in de cultuurnota (een beleidsregel) aangewezen als ‘kernvoorziening’. Uitsluitend kernvoorzieningen komen in aanmerking voor prestatiesubsidie. Coach4Kids vraagt ook prestatiesubsidie aan, maar deze aanvraag wordt geweigerd omdat Pier K al is aangewezen als kernvoorziening. Uit de uitspraak blijkt niet hoe burgemeester en wethouders tot de aanwijzing van Pier K tot kernvoorziening is gekomen. Op grond van het transparantiebeginsel hadden burgemeester en wethouders door middel van een passende bekendmaking zowel Pier K als Coach4Kids in aanmerking moeten laten komen voor de aanwijzing als kernvoorziening en daarmee voor subsidieverlening. Coach4Kids betoogde in hoger beroep dat de status van Pier K als kernvoorziening niet als weigeringsgrond kan dienen voor haar aanvraag, omdat de aanwijzing van Pier K als kernvoorziening onrechtmatig is wegens strijd met het aanbestedingsrecht. De Afdeling verwerpt dit beroep met de enkele overweging dat het aanbestedingsrecht niet van toepassing is zonder te toetsen aan het transparantiebeginsel (of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur).
Uit het voorgaande volgt dat de subsidietitel in beginsel voldoet aan het transparantiebeginsel, maar dat de regeling beperkt is waardoor subsidieverlening in strijd met het transparantiebeginsel mogelijk is. Dit kan zich met name voordoen als de subsidieverdeelregels worden vastgelegd in beleidsregels.