Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/8.6
8.6 Samenloop APV en legitieme portie
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232791:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals in paragraaf 3.1 reeds aangegeven, ga ik uit van een Nederlandse erflater en in het verlengde daarvan toepassing van het Nederlandse erfrecht.
De erkenning van de trust onder het trustverdrag en samenloop met de regels van de legitieme portie in het kader daarvan worden besproken in paragraaf 8.2.3.9.
Aangezien het ingebrachte vermogen niet meer tot het vermogen van de insteller behoort, komt de vraag of sprake kan zijn van een inferieure making in de context van het APV niet aan de orde, waar dat bij bewind en certificering wel het geval is.
Artikel 4:65 BW.
Artikelen 4:70 – 4:73 BW, in het algemeen behoudens voor zover een verkrijging als erfgenaam of krachtens legaat inferieur is.
Artikel 4:79 BW.
Artikel 4:89 jo. 4:80 BW. De voor inkorting vatbare giften zijn de giften als bedoeld in het hierna te bespreken artikel 4:67 BW.
Het inkorten van giften geschiedt blijkens artikel 4:89 lid 3 BW in omgekeerd chronologische volgorde: de meest recente giften het eerst. Het is derhalve in elk geval theoretisch denkbaar dat de omvang van de legitieme portie zodanig is dat de inbreng in het APV geheel door inkorting teniet gedaan wordt. Dit vereist evenwel (i) een geringe nalatenschap, (ii) een recente inbreng in het APV en/of (iii) giften van (zeer) significante omvang voorafgaand aan de inbreng in het APV. Volledige inkorting van de inbreng, die gezien het doel hiervan een groot deel van het vermogen van de inbrenger zal betreffen, lijkt mij derhalve niet waarschijnlijk.
Zie Handboek Erfrecht (2020), B.C.M. Waaijer, paragraaf X.24.1.
Bij de inbreng van vermogen in een niet-discretionaire entiteit kan betoogd worden dat sprake is van een derdenbeding, waarbij de begunstigde een afdwingbaar recht verkrijgt, hetgeen gezien moet worden als een gift van de inbrenger aan de begunstigde. Indien deze begunstigde legitimaris van de inbrenger is, kan sprake zijn van een gift als bedoeld onder d. Bij een discretionaire entiteit heeft de begunstigde echter nog geen afdwingbare rechten, hetgeen mijns inziens aan kwalificatie als de voorgaande in de weg staat.
Een inbreng gedaan binnen vijf jaar voor het overlijden van de inbrenger brengt uiteraard wel dit risico met zich, maar tenzij de inbrenger al op leeftijd is op het moment dat de inbreng plaatsvindt, is dit meer een kwestie van ongelukkig toeval waar men rekening mee zal moeten houden.
Dit hangt af van meerdere omstandigheden, zoals de inhoud van een eventueel testament (zijn de legitimarissen (mede) erfgenaam), maar ook van de kwalificatie van de inbreng in het kader van de legitieme portie. Indien de inbreng in aanmerking genomen dient te worden voor de toepassing van de legitimaire portie, levert dit een grote legitimaire vordering op, die gezien de inkortingsvolgorde allereerst tegenover de erfgenamen/langstlevende echtgenoot geldend gemaakt dient te worden. Aldus wordt in voorkomend geval eerst de gehele (waarde van de) nalatenschap ingekort, alvorens men toekomt aan de inbreng in het APV.
In deze paragraaf bespreek ik in hoeverre de inbreng van vermogen in een APV alsnog, althans in termen van economische waarde, ongedaan gemaakt kan worden als gevolg van een beroep van een legitimaris op zijn legitieme portie.1 Voor zover dit mogelijk is, beschermt het APV het ingebrachte vermogen immers niet. Ik ga hierbij uit van “APV” als verzamelterm voor alle verschillende rechtsfiguren die als zodanig kwalificeren, zoals de hiervoor besproken (Nederlandse) familiestichting en de Anglo-Amerikaanse trust,2 in principe zonder in te gaan op specifieke figuren. Ik zal derhalve ook eenvoudshalve spreken van het APV als ware het een entiteit, ook al is dat niet in alle gevallen, zoals bij een trust, een zuivere aanduiding. Voorts zij benadrukt dat ik uitga van een discretionaire entiteit, oftewel de situatie waarin de begunstigden geen afdwingbare aanspraken hebben.
Bij de samenloop tussen de legitieme portie en de inbreng van vermogen in een APV rijst de vraag of de inbreng van het vermogen een gift kan zijn, waarmee voor de berekening en eventueel de effectuering van de legitieme portie rekening gehouden dient te worden.3 De omvang van de legitieme portie van de legitimaris wordt namelijk bepaald door de legitimaire massa te vermenigvuldigen met een breukdeel dat afhangt van het aantal erfgenamen bij versterf.4 De legitimaire massa bestaat uit de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met bepaalde giften en verminderd met bepaalde schulden.5 Op het aldus berekende bedrag wordt nog in mindering gebracht de waarde van (i) giften aan de legitimaris, (ii) hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkregen heeft of (iii) hetgeen de legitimaris als erfgenaam of als legaat had kunnen verkrijgen.6. Ter zake van de hieruit volgende legitieme portie kan de legitimaris een vordering krijgen op de gezamenlijke erfgenamen of de langstlevende echtgenoot, maar ook op begiftigden.7 Weliswaar dient de legitimaris zijn legitieme portie eerst geldend te maken jegens de erfgenamen of langstlevende echtgenoot, maar indien de omvang van de nalatenschap onvoldoende is voor volledige voldoening van de vordering van de legitimaris, dan kan deze voor het verkrijgen van het restant van zijn legitieme portie de daarvoor vatbare giften inkorten.8 De consequentie van het voorgaande is dat, indien de inbreng van vermogen in een APV aangemerkt zou moeten worden als een gift die voor de toepassing van de legitieme portie in aanmerking genomen wordt, dit niet alleen betekent dat de legitieme portie van de legitimaris (aanzienlijk) groter wordt, maar mogelijk ook dat de legitimaris de desbetreffende gift kan inkorten en daarmee de inbreng van vermogen daadwerkelijk (gedeeltelijk9) teniet kan doen. Voor zover ingekort kan worden op de inbreng valt de bescherming van het APV weg, aangezien de legitimaris een geldvordering krijgt op het APV; de legitimaris is daarbij niet verplicht om genoegen te nemen met voldoening door overdracht van de (wellicht minder courante) goederen die in het APV zijn ingebracht.10
Op grond van artikel 4:67 BW dient een vijftal categorieën giften in aanmerking genomen te worden bij (onder meer) de berekening van de legitimaire massa. Dit zijn tevens de voor inkorting vatbare giften. Naast algemeen alle schenkingen waarbij de prestatie geleverd is in de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van de erflater (sub e), betreft dit een viertal bijzondere categorieën giften:
giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;
giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
giften van een voordeel, bestemd om pas na het overlijden van de erflater ten volle te worden genoten; en
giften die de erflater aan een afstammeling heeft gedaan, mits deze begiftigde of een afstammeling van deze begiftigde legitimaris van de erflater is.
In het hiernavolgende zal ik slechts ingaan op de giften als bedoeld onder sub a. Hoewel niet ondenkbaar is dat de inbreng van vermogen in een APV (aannemend dat sprake is van een gift, zie hierna) in de categorieën b of c valt,11 dan wel dat de inbrenger onverhoopt binnen vijf jaar na de inbreng overlijdt, zijn dit naar mijn mening in beginsel vermijdbare situaties. Deze hoeven derhalve geen bedreiging voor de beschermingsfiguur te vormen, zodat ik deze mogelijkheden verder buiten beschouwing laat.12
Het gebruik van een APV als beschermingsfiguur impliceert dat (nagenoeg) het volledige vermogen van de inbrenger in het APV wordt ingebracht, aangezien de zich nog in zijn nalatenschap bevindende goederen, althans de waarde daarvan geheel of gedeeltelijk13 ten goede zullen komen aan de legitimarissen. Gezien deze omvang schendt de inbreng potentieel de legitieme portie van de legitimarissen. Om de conclusie te bereiken dat dit inderdaad het geval is, dienen echter twee horden genomen te worden (i) de inbreng is een gift en (ii) er is sprake van een gift als bedoeld in artikel 4:67 BW. In de navolgende paragrafen ga ik nader op deze twee punten in.
8.6.1 Inbreng in een APV als gift8.6.2 Kwalificatie van de inbrenghandeling bij Nederlandse stichting8.6.3 Benadeling van de legitimaris door inbreng8.6.4 Conclusie