Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.6.1
7.6.6.1 Verbaliseringsplicht en toegang van verdediging tot relevante stukken
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS615542:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1995, NJ 1996/249 m.nt. Schalken.
In de NJ is een versie van dit arrest gepubliceerd waarin aan deze zin nog is toegevoegd de tekst: ‘waarin door opsporingsambtenaren met het oog op een mogelijk opsporingsonderzoek informatie wordt vergaard, maar nog geen sprake is van verdenking van een strafbaar feit, dat wil zeggen: van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is of wordt gepleegd’. In een door de HR gewezen herstelarrest, waarvan de hier geciteerde tekst op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, is deze uit het Zwolsmanarrest afkomstige passage geschrapt, omdat deze passage niet meer aansloot op de gewijzigde definitie van het opsporingsbegrip in art. 132a Sv.
HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken.
Zie HR 21 oktober 1997, NJ 1998/133 m.nt. ‘t Hart.
Zie HR 3 maart 1998, NJ 1998/856.
Zie HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6245, NJ 2000/502. In dat arrest overwoog de HR dat ‘de toetsing door de C.T.C. in zoverre niet van belang is dat de rechter in het gegeven geval zelfstandig de gebezigde opsporingsmethoden dient te beoordelen, hetgeen het Hof ook heeft gedaan’.
Zie HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD4213 (niet gepubliceerd).
Zie HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1430, NJ 2009/295. ATV staat voor: Aanmelding, Transactie en Vervolging en ziet op de gelijknamige richtlijn voor fiscale delicten en douanedelicten.
Zie HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5001, NJ 2012/575.
Dat wordt vastgelegd wat in het voorbereidend onderzoek is gebeurd en dat dit voor zover relevant aan het procesdossier wordt toegevoegd, is in het strafproces voor degenen met een controlerende functie cruciaal. In de ijkpunten die in het onderzoeksproject Strafvordering 2001 zijn geformuleerd voor een hechtere systematische grondslag voor het Wetboek van Strafvordering klinkt dit krachtig door.1 De artt. 152 en 153 Sv bevatten hiervoor een regeling. In het Zwolsmanarrest2 heeft de Hoge Raad een beoordelingskader geformuleerd, dat in het arrest over buitenlandse opsporing is herhaald:
‘7.2.1. Bij de beoordeling van het middel moeten worden vooropgesteld de volgende door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 1995, NJ 1996/ 249 geformuleerde regels met betrekking tot de voor opsporingsambtenaren bestaande plicht tot het verbaliseren van hetgeen zij hebben verricht of bevonden, welke regels ook van toepassing zijn op hetgeen door Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland is verricht of bevonden.
7.2.2. Art. 152 Sv schrijft voor dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals thans gedefinieerd in art. 132a Sv, is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt het volgende mee. Het staat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat gedeelte van het opsporingsonderzoek.
Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd, voldoende worden tegemoetgekomen.
7.2.3. Art. 152 Sv ziet slechts op het door het Wetboek van Strafvordering bestreken opsporingsonderzoek, zodat die bepaling niet van toepassing is in een daaraan voorafgaande fase van het onderzoek.3
Hoewel een wettelijke voorziening omtrent verslaglegging van de verrichtingen en bevindingen van opsporingsambtenaren in die onderzoeksfase ontbreekt, zal al naar gelang de aard en de omvang van het in die fase verrichte onderzoek verslaglegging in enigerlei vorm nochtans niet achterwege mogen blijven. Ingeval een opsporingsonderzoek volgt, zal bij het opmaken van processen-verbaal op de voet van art. 152 Sv immers zo nodig moeten kunnen worden teruggegrepen op hetgeen voorafgaand aan het opsporingsonderzoek is verricht en bevonden. Voorts geldt ook hier dat, indien de rechter in het eindonderzoek — al dan niet naar aanleiding van een gevoerd verweer — nadere opheldering verzoekt omtrent bepaalde feiten en omstandigheden, op een zodanig verzoek doeltreffend moet kunnen worden gereageerd.
7.2.4. De wet verbindt geen rechtsgevolgen aan de niet-naleving van art. 152 Sv. Het staat derhalve ter beoordeling van de rechter of en, zo ja in hoeverre aan de omstandigheid dat het opmaken van proces-verbaal achterwege is gebleven dan wel niet ten spoedigste is geschied, enig rechtsgevolg dient te worden verbonden.’4
Voor de verdediging is – om haar controlerende taak te kunnen uitvoeren ten opzichte van het optreden van politie en OM en om te kunnen voldoen aan de op haar bij het voeren van verweer rustende plicht tot substantiëring – voorts de inhoud van en toegang tot het procesdossier van groot belang.
In HR 7 mei 1996, NJ 1996/687 m.nt. Schalken (Dev Sol) is overwogen, dat ‘in het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin’ en dat ‘kennisneming van de processtukken (…), behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen voor beperkte duur, aan de verdachte en zijn raadsman niet [mag] worden onthouden’. De artt. 30 Sv e.v. behelzen een regeling van de toegang tot de processtukken. Op het Dev Sol-arrest is rechtspraak gevolgd waarin werd geoordeeld dat tot de processtukken mede behoren: video-opnamen van politieverhoren van de verdachte indien de rechtmatigheid van de verkrijging van de daarin afgelegde verklaringen wordt betwist,5 video-opnamen van het politieverhoor van een getuige.6 In andere beslissingen is geoordeeld dat niet aan het dossier behoefden te worden toegevoegd: stukken van de Centrale Toetsingscommissie (CTC) met betrekking tot de toetsing van een infiltratie-actie,7 info-formulieren van observanten8 en zogenaamde ATV-stukken.9
Wat betreft niet tot de processtukken behorende documenten formuleerde de Hoge Raad als regel dat indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging in beginsel ook de kennisneming van voor de beoordeling daarvan van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden.10