Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.3
10.2.3 Gebruik van vermoedens voor het bewijs van perifere stellingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940465:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.4 (met name paragraaf 9.4.1).
Zie paragraaf 9.4. Denkbaar is bijvoorbeeld dat wat betreft een mogelijke verjaring (zie paragraaf 9.4.15) komt vast te staan dat er in aangrenzende jaren sprake is geweest van kenbaar verleend uitstel op grond van de Beconregeling. Daaruit zou een vermoeden kunnen worden afgeleid dat een dergelijk uitstel ook voor wat betreft het jaar in kwestie heeft bestaan, waardoor de termijn voor de oplegging van de (aanslag en de) boete is verlengd (zie daaromtrent nader paragraaf 15.2.3).
Zie paragraaf 10.2.2.1.
Zowel de inspecteur als de boeteling kunnen zich bedienen van vermoedens ten gunste van de door hen te bewijzen perifere stellingen. Bij het gebruik van feitelijke vermoedens voor het bewijs van perifere stellingen zijn de in paragraaf 10.2.2.1 hiervoor beschreven aanvullende voorwaarden (ten aanzien van de centrale stellingen) in zijn algemeenheid niet van toepassing. Voor perifere stellingen geldt de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM immers niet, en dus ook niet de regel dat elke twijfel in het voordeel van de boeteling moet werken. Voor perifere stellingen gelden in beginsel dan ook geen bijzondere voorwaarden of beperkingen op grond van art. 6 EVRM.
Dat is – althans in mijn opvatting – anders voor perifere stellingen die het schuldverband betreffen, zoals AVAS.1 Bij dergelijke perifere stellingen moet naar mijn mening (ten minste enige) verwijtbaarheid worden ingelezen in de delictsomschrijving. Omdat die verwijtbaarheid dan als centrale stelling moet worden aangemerkt, geldt voor vermoedens die op de verwijtbaarheid zien (of op de afwezigheid van AVAS) hetzelfde als hiervoor in paragraaf 10.2.2 is beschreven. Een tweede uitzondering zou ik willen maken voor gevallen waarin de rechter voornemens is om een vermoeden ten nadele van de boeteling aan te nemen, in het bijzonder bij kwesties van openbare orde en andere perifere stellingen, ten aanzien waarvan de rechter een zelfstandige onderzoeksplicht heeft (zoals verjaring).2 De rechter zal de boeteling dan – net als bij centrale stellingen het geval is – uitdrukkelijk moeten mededelen dat hij voornemens is een nadelig vermoeden aan te nemen en hem uitgebreid in de gelegenheid moeten stellen om dat vermoeden en de feiten waarop het gebaseerd is, te weerleggen.3 Dit vloeit naar mijn mening voort uit de overkoepelende norm van de fair hearing.