Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.1:3.1 Inleiding
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715413:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: De Jong 1989b, p. 176.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk stond de vraag centraal in hoeverre voorfasehandelingen als gedragingen in de zin van het daadstrafrechtbeginsel kunnen worden beschouwd. Dit hoofdstuk bouwt daarop voort door in te gaan op de vraag welke gedragingen wederrechtelijk zijn. Daarbij komt wederom achtereenvolgens aan bod welke invulling vanuit liberaal (§3.2), communitaristisch (§3.3) en functionalistisch (§3.4) oogpunt ideaaltypisch aan het wederrechtelijkheidsbegrip kan worden gegeven en hoe deze interpretaties vervolgens uitwerken als het gaat om de strafwaardigheid van voorfasedelicten. Daarbij wordt steeds kort aandacht besteed aan het onderscheid tussen formele en materiële wederrechtelijkheid. Dat onderscheid loopt mijns inziens parallel met het onderscheid tussen strafbaarheid en strafwaardigheid. Formeel wederrechtelijk zijn immers die gedragingen die naar geldend recht strafbaar zijn. Het antwoord op de vraag wat formeel wederrechtelijk is, wordt dus door het positieve recht zelf gegeven. Materieel wederrechtelijk zijn daarentegen die gedragingen die voor strafbaarstelling in aanmerking zouden kunnen komen. Het gaat dan dus om de strafwaardigheid van gedragingen.1 Daarbij wordt de wederrechtelijkheid beoordeeld aan de hand van criteria die in beginsel buiten het positieve recht liggen. De vraag om welke criteria het dan gaat, verschilt per perspectief. Zo wordt vanuit liberaal oogpunt het schadebeginsel gehanteerd, vindt vanuit communitaristisch oogpunt een immoraliteitsbeoordeling plaats en moet vanuit empirisch oogpunt een effectiviteitstoets worden gedaan. Hierna wordt dat verder uitgewerkt. In zijn algemeenheid kan wel worden opgemerkt dat niet alle materieel wederrechtelijke gedragingen ook formeel wederrechtelijk zijn en dat omgekeerd ook niet alle formeel wederrechtelijke gedragingen materieel wederrechtelijk zijn. De precieze verhouding tussen beide begrippen verschilt echter per perspectief. In dit hoofdstuk staat de vraag centraal: in hoeverre kunnen voorfasehandelingen materieel wederrechtelijk zijn?