De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.6.2:3.6.2 Voorkomen van overcompensatie
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.6.2
3.6.2 Voorkomen van overcompensatie
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250324:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld § 6.4.5, waar ik met betrekking tot de cessie van de vordering op de moeder- of de 403-maatschappij betoog dat de vordering op de moedermaatschappij altijd zou moeten toekomen aan degene met de corresponderende vordering op de 403-maatschappij.
Zie bijvoorbeeld § 4.8, met betrekking tot het geval dat de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij contractueel is achtergesteld ten aanzien van de vorderingen van de andere crediteuren.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierboven heb ik betoogd dat crediteuren niet in een nadeliger positie mogen komen door gebruikmaking van de jaarrekeningvrijstelling door de 403-maatschappij of doordat de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt of de overblijvende aansprakelijkheid beëindigt. Het nadeel dat de crediteuren hierdoor ondervinden moet worden weggenomen. Maar het is ook niet nodig dat een crediteur voordeel heeft omdat de 403-maatschappij gebruikmaakt of heeft gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling. ‘Overcompensatie’ van de crediteuren moet daarom zo veel mogelijk worden voorkomen.
Het voorkomen van overcompensatie kent drie aspecten. Ten eerste moeten de crediteuren die geen nadeel ondervinden van het feit dat ze de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien geen beroep kunnen doen op de aansprakelijkstelling door de moedermaatschappij.1 Daarnaast moet de compensatie voor de crediteuren die wel nadeel ondervinden omdat ze de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien, zodanig worden vormgegeven dat zij een aanvullende vordering krijgen op een andere debiteur – de moedermaatschappij – van wie zij de geconsolideerde jaarrekening wel kunnen inzien. Voor het overige is er vanuit het oogpunt van de compensatie geen reden dat de verhaalsrechten van een crediteur op de 403-maatschappij en op de moedermaatschappij verschillend zijn. Het is niet de bedoeling dat een crediteur op grond van de 403-verklaring een sterker verhaalsrecht heeft tegenover de moedermaatschappij, dan het verhaalsrecht dat hij heeft tegenover de 403-maatschappij.2
Tot slot is het voorkomen van overcompensatie van belang als de 403-maatschappij niet meer gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Dit betekent dat als een crediteur de jaarrekening van de 403-maatschappij weer kan inzien en zijn verhaalsrecht zodanig is gewaarborgd dat hij door de intrekking van de 403-verklaring en de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid niet in een nadeliger positie komt, er verder niets in de weg mag staan aan deze intrekking en beëindiging.3