Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.7.4
7.7.4 Beperkte rechten op certificaten
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232739:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zowel die uit hoofde van de administratievoorwaarden (paragraaf 7.9.1), als eventueel uit de statuten van de STAK voortvloeiende rechten (paragraaf 7.8.2.5.5).
Stemrecht dat verbonden is aan een goed dat aan vruchtgebruik is onderworpen blijft bij de hoofdgerechtigde, tenzij bij vestiging anders is bepaald (artikel 3:219 BW). Voor pandrecht geldt een vergelijkbare regel (artikel 3:247 BW). Niet alle aan de certificaathouder toe te kennen zeggenschapsrechten zijn echter naar mijn mening te beschouwen als stemrecht. Om onduidelijkheid te voorkomen is dus aan te raden om bij vestiging een regeling te treffen.
Zie nader paragraaf 7.10.3.
Vergelijk HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471 (Mulder q.q./Credit Lyonnais Nederland NV), inzake inning van een stil verpande vordering door de faillissementscurator van de pandgever. De Hoge Raad oordeelt (onder meer) dat de pandgever (althans de curator) inningsbevoegd is en dat het pandrecht niet komt te rusten op het geïnde. De Hoge Raad concludeert evenwel tot voorrang van de pandhouder op het geïnde.
Indien de overdraagbaarheid van de certificaten niet op dit punt is beperkt, is het mogelijk om beperkte rechten op de certificaten te vestigen. Bij certificaten zijn mogelijke beperkte rechten een recht van vruchtgebruik of een pandrecht. Van belang is dat, indien zeggenschapsrechten1 verbonden zijn aan het certificaat, bepaald wordt wie deze rechten mag uitoefenen, de certificaathouder of de beperkt gerechtigde.2 Bij certificering in familiale context ligt mijns inziens overigens voor de hand om ofwel het vestigen van beperkte rechten geheel uit te sluiten ofwel dit slechts toe te laten onder de voorwaarden dat de zeggenschapsrechten van de certificaathouders bij de certificaathouders blijven. Deze rechten zijn mijns inziens bedoeld om de certificaathouders in staat te stellen om hun belangen te waarborgen tegenover de STAK en een eventueel ander belang dat zij met de certificering moet nastreven en niet om ten voordele van beperkt gerechtigden te strekken.
De vraag rijst voorts wat er gebeurt met deze beperkte rechten indien gedecertificeerd wordt. Hierbij kan bovendien onderscheid gemaakt worden tussen de situatie dat dit op initiatief van de certificaathouder geschiedt (royering) of op initiatief van de STAK (of wellicht beide gezamenlijk). Ook is denkbaar dat automatisch gedecertificeerd wordt, als dit afhankelijk gemaakt is van de vervulling van een voorwaarde of tijdsbepaling. Decertificering heeft tot gevolg dat het certificaat vervalt, aangezien de kern hiervan de vordering is die aanspraak geeft op het gecertificeerde vermogen en deze vordering wordt voldaan.3 Gezien het bepaalde in artikel 3:81 lid 2 sub a BW gaat het recht van vruchtgebruik of pandrecht teniet, indien het recht waaruit dit is afgeleid teniet gaat. Dit impliceert dat, behoudens een regeling voor deze situatie, decertificering ertoe leidt dat ook het daarop gevestigde beperkte recht teniet gaat.
Bij beide beperkte rechten is sprake van een dergelijke regeling. Bij vruchtgebruik is dit geregeld in artikel 3:210 BW. Lid 1 van deze bepaling regelt dat de vruchtgebruiker bevoegd is tot het eisen van nakoming van vorderingen die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, alsmede tot het in ontvangst nemen van betalingen, tenzij bij vestiging van het vruchtgebruik anders bepaald is. Op grond van lid 2 is de vruchtgebruiker bovendien bevoegd tot opzegging en ontbinding van overeenkomsten, wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn, weer tenzij anders bepaald is. De hoofdgerechtigde heeft bovendien deze bevoegdheden niet, behoudens met toestemming van de vruchtgebruiker of met machtiging van de kantonrechter (lid 3). Artikel 3:213 lid 1 BW bepaalt in aanvulling daarop dat hetgeen door inning van aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen wordt ontvangen aan de hoofdgerechtigde toebehoort, onder de last van het vruchtgebruik.
De certificaathouder kan derhalve niet zonder toestemming van de vruchtgebruiker (of rechterlijke machtiging) de certificaten royeren of betalingen op het certificaat in ontvangst nemen. Als hij dit bevoegdelijk doet, komt het vruchtgebruik bovendien te rusten op hetgeen door de STAK is betaald, zodat de positie van de vruchtgebruiker gewaarborgd blijft. Dit geldt ook indien de decertificering wordt geïnitieerd door de STAK of indien deze automatisch plaatsvindt als gevolg van het vervullen van een voorwaarde of tijdsbepaling, aangezien ook dan sprake is van een in ontvangst te nemen betaling op het certificaat.
Voor het pandrecht geeft artikel 3:246 BW een redelijk vergelijkbare regeling. Dit bepaalt dat in geval van een pandrecht op een vordering de pandhouder bevoegd is nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Een uitzondering geldt daarbij voor een stil pandrecht: zolang dit pandrecht niet is medegedeeld aan de schuldenaar, blijven de bevoegdheid om nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen bij de pandgever (lid 1). Degene die voornoemde bevoegdheden heeft, is bovendien bevoegd tot opzegging, in de situatie waarin de vordering nog niet opeisbaar is, maar wel door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden (lid 2). Na mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar kan de pandgever deze bevoegdheden niet meer uitoefenen, behoudens met toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter (lid 4). Indien sprake is van een inning van de verpande vordering met toestemming of rechterlijke machtiging, komt het pandrecht bovendien op het geïnde te rusten.
Deze bepaling zal de houder van een pandrecht op certificaten in veel gevallen beschermen. Tenzij sprake is van een stil pandrecht, dat nog niet aan de STAK is medegedeeld, zal de certificaathouder de uit zijn certificaat voortvloeiende vordering niet kunnen innen, betalingen die de STAK doet niet in ontvangst kunnen nemen en de certificaten niet kunnen royeren, althans niet zonder toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter. Indien met dergelijke toestemming of machtiging komt het pandrecht bovendien te rusten op hetgeen de certificaathouder van de STAK ontvangt. Als ten slotte sprake is van decertificering door de STAK om enige reden, of automatische decertificering, dan is sprake van een betaling die in ontvangst genomen moet worden. Deze betaling komt dan gezien het voorgaande ofwel in handen van de pandhouder, ofwel in handen van de certificaathouder, maar dan bezwaard met het pandrecht. De positie van de pandhouder blijft dan beschermd.
Een aandachtspunt is evenwel de situatie waarin zich een stil pandrecht voordoet, dat nog niet aan de STAK is medegedeeld. De certificaathouder blijft in dat geval bevoegd tot inning en royering van de certificaten. Het certificaat/vorderingsrecht gaat dan door betaling door de STAK teniet, terwijl geen pandrecht op het geïnde komt te rusten. Gezien jurisprudentie van de Hoge Raad behoudt de pandhouder echter zijn voorrang op het geïnde.4 Dit risico is bovendien niet anders dan het risico dat de houder van een stil pandrecht op een willekeurige andere vordering loopt.