Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.2.4
7.2.4 Exclusieve fora; art. 22 EEX-Vo
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430548:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 27 januari 2000, C-8/98, Jur. 2000, p. 1-393, NJ 2002, 445 (PV), Dansommer/Gtz.
Voor art. 16 sub 1 EEX-Verdrag: HvJ EG 5 april 2001, C-518/99, Jur. 2001, p. 1-2771, NJ 2002, 418 (PV), Gaillard/Chekili.
P. Vlas, TEX en onroerend goed', in: J. Struiksma e a (red.), Vast en goed (Van Velten-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 302. In deze zin ook Rb. Breda 5 maart 2004, IVIPR 2004, 266.
Hierbij moet worden aangetekend dat de toepassing van de leer van de werkelijke zetel op rechtspersonen opgericht naar het recht van een andere lidstaat in HvJ EG 5 november 2002, C-208/00, Jur. 2002, p. 1-9919, NJ 2003, 58 (PV), Oberseering, in strijd is verklaard met de vrijheid van vestiging van art. 43 jo. 48 EG-Verdrag. De lidstaten die de leer van de werkelijke zetel hanteren zullen hun interne wetgeving op dit punt moeten aanpassen voor rechtspersonen die zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat.
Verheul, Rechtsmacht (I), p. 85.
Naar mijn mening kan de rechtsmacht in dit geval niet worden gebaseerd op een regel uit het nationale recht; voor Nederland kan art. 9 sub b Rv niet competentiescheppend zijn, omdat de werking van deze bepaling is beperkt tot commune gevallen (art. 1 Rv). Vgl. over de rol van art. 6 EVRM onder het EEX-Verdrag: HvJ EG 28 maart 2000, C-7/98, Jur. p. 1-1935, NJ 2003, 626 m.nt. PV onder NJ 2003, 627, Krombach/Bamberski, r.o. 25: 'Volgens vaste rechtspraak behoren de fundamentele rechten tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert (...). Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (...) komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (...).' Zie hierover L. Strikwerda, 'De invloed van het EVRM op het Europese 1PR. Aantekeningen bij de Krombach-uitspraak van het Hof van Justitie EG', in: G.J.M. Corstens, W.J.M. Davids & M.I. Veldt-Foglia (red.), Europeanisering van het Nederlands Recht (Haak-bundel), Kluwer: Deventer 2004, p. 252-260.
Indien het geschil betrekking heeft op onroerend goed, vennootschapsrechtelijke kwesties, openbare registers, rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie of op de tenuitvoerlegging van beslissingen wordt de rechtsmacht exclusief bepaald door art. 22 EEX-Vo. Dit artikel slaat geen acht op de woonplaats van partijen. In deze gevallen is de band tussen het voorwerp van het geschil en het forum van zodanige aard, dat de in art. 22 genoemde gerechten bij uitstek en zelfs met uitsluiting van gerechten in andere lidstaten geacht worden hierover te kunnen oordelen. Een voorbeeld. Art. 22 sub 1 EEX-Vo verklaart de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen exclusief bevoegd voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen (forum rei sitae). Deze gerechten zullen vanwege hun nabijheid tot het object het beste in staat zijn zich door onderzoekingen, getuigenverhoren en deskundigenberichten ter plaatse op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken toe te passen.1 Een vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst ter zake van onroerend goed en de vordering tot betaling van schadevergoeding wegens deze ontbinding vallen niet onder art. 22 sub 1, omdat deze geen betrekking hebben op rechten die rechtstreeks het onroerend goed betreffen en die aan een ieder kunnen worden tegengeworpen.2 Verdedigbaar is dat de vordering tot levering van onroerend goed evenmin onder art. 22 sub 1 valt.3 Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor maximaal zes opeenvolgende maanden verklaart art. 22 sub 1 tevens bevoegd de gerechten van de lidstaat waarin de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter in dezelfde lidstaat woonplaats hebben.
Een ander voorbeeld. Voor vennootschapsrechtelijke geschillen verklaart art. 22 sub 2 EEX-Vo exclusief bevoegd de gerechten van de plaats van vestiging van de vennootschap in een lidstaat. Om de plaats van vestiging vast te stellen, past het aangezochte gerecht zijn eigen regels van IPR toe. In de praktijk kan de toepassing van art. 22 sub 2 tot een zogenaamd negatief rechtsmachtconflict leiden. Ten aanzien van bijvoorbeeld een Belgische vennootschap met werkelijke zetel in Nederland geldt vanuit het Nederlandse IPR als vestigingsplaats België terwijl vanuit het Belgische IPR als vestigingsplaats Nederland geldt. Art. 22 sub 2 leidt dan tot een negatief rechtsmachtconflict, omdat de Nederlandse noch de Belgische rechter bevoegd is.4 Verdedigbaar is dat de Nederlandse rechter zich — bij gebreke van een oplossing in de verordening zelf — dan maar zonder het stellen van nadere vereisten als een noodforum bevoegd dient te verklaren.5 Algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals onder andere ontleend aan art. 6 EVRM nopen hiertoe.6