Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.5.2:7.5.2 Vruchtgebruik
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.5.2
7.5.2 Vruchtgebruik
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482386:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vruchtgebruik wordt in art. 3:201 omschreven als het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Aldus is de omschrijving ten opzichte van de omschrijving onder het oude recht (art. 803 BW (oud)) verruimd. Immers in laatstbedoelde bepaling werd niet over ‘gebruiken’ gesproken. De kern1 van het recht op vruchtgebruik is neergelegd in art. 3:207 lid 1, luidende:
‘Een vruchtgebruiker mag de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen gebruiken of verbruiken overeenkomstig de bij de vestiging van het vruchtgebruik gestelde regels of, bij gebreke van zodanige regels, met inachtneming van de aard van de goederen en de ten aanzien van het gebruik of verbruik bestaande plaatselijke gewoonten.’
In lid 2 van art. 3:207 wordt aan de vruchtgebruiker het recht op beheer toegekend.
Daarnaast worden in de wet nog een aantal ‘secundaire bevoegdheden’2 genoemd. De volgende zijn hier van belang:
de vruchtgebruiker is bevoegd met toestemming van de bloot eigenaar, dan wel machtiging van de rechter de bestemming van de onroerende zaak te herzien (art. 3:208);
de vruchtgebruiker is bevoegd de zaak te verhuren of te verpachten (art. 3:217). Ingevolge art. 3:213 lid 2 komt het vruchtgebruik te rusten op de voordelen die een goed tijdens het vruchtgebruik oplevert. Als zodanige voordelen worden in de parlementaire geschiedenis genoemd: aanwas, schatvinding, ‘bepaalde voordelen die uit effecten voortvloeien’ en waardestijging van een woonhuis.3