Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap
Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.3.4:5.3.4 Conclusie
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.3.4
5.3.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS442499:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geen van beide rechtsgronden die voor het bestaan van het bestuursverbod worden aangevoerd is heden ten dage nog als deugdelijk aan te merken.
De rechtsgrond die beoogt misverstanden over de vennootschappelijke positie van een namens de commanditaire vennootschap optredende vennoot te voorkomen is volledig achterhaald door de invoering van het handelsregister in 1921 en door de exponentiële toename van het gebruik van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Beide omstandigheden brengen mee dat derden er redelijkerwijze niet langer zonder meer van uit kunnen gaan dat een persoon die namens de vennootschap zegt op te treden onbeperkt voor haar schulden aansprakelijk is. Wanneer de bedrijvige commanditair de derde misleidt ter zake van zijn vennootschappelijke status kan deze derde op basis van het algemene burgerlijk recht de commanditair houden aan de door deze opgewekte schijn, zodat de commanditair jegens de derde onbeperkt hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap. Voor de bestrijding van dit risico is het bestuursverbod dus evenmin noodzakelijk.
De rechtsgrond die erop gericht is te voorkomen dat de commanditair in de verleiding komt voor rekening van de vennootschap roekeloos transacties aan te gaan is weliswaar niet achterhaald, maar veronderstelt de aanwezigheid van een risico dat zich bij de kapitaalvennootschap ook voordoet, althans kan voordoen, en daar niet heeft geleid tot een algeheel wettelijk verbod voor de aandeelhouder om als bestuurder van de vennootschap op te treden. Bij de kapitaalvennootschap wordt dit risico immers bestreden door de vennootschapsbestuurder in concrete misbruikgevallen persoonlijk aansprakelijk te houden. Hiermee is de regeling van het bestuursverbod wetssystematisch inconsistent. Daarbij komt dat de kapitaalvennootschap sinds 1838 in het beroeps- en bedrijfsleven een hoge vlucht heeft genomen. In het kielzog daarvan wordt mogelijkheid dat een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap als (enige) bestuurder van deze vennootschap functioneert heden ten dage allerwegen geaccepteerd en toegepast. Deze beide omstandigheden bijeengenomen leiden tot de gevolgtrekking dat een gerichte bestrijding van concrete gedragingen de standaard methode is geworden om misbruik van de aansprakelijkheidsbeperking door de beheersende aandeelhouder te bestrijden. Daarmee is een generiek verbod voor de commanditaire vennoot om zelfs maar incidentele bestuurshandelingen te verrichten voor ‘zijn’ commanditaire vennootschap als middel om het risico op een vergelijkbaar misbruik terug te dringen niet langer verdedigbaar.