Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.4.3:19.4.3 Selectie van leerkrachten
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.4.3
19.4.3 Selectie van leerkrachten
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457631:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CGB 15 juni 2007, oordeel 2007-100 en CGB 9 september, oordeel 99-38.
Rb. Den Haag (sector kanton) 2 november 2011, JAR 2011, 305, r.o. 5.3.2.
CGB 16 april 2007, oordeel 2007-61.
CGB 1 juli 2011, oordeel 2011-102.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het onderstaande bespreek ik zaken waarin in het kader van de selectie van leerkrachten (artikel 5 lid 2 sub c AWGB) de kwalificatie van de grondslag van de school als godsdienstig aan de orde was. In 1999 en in 2007 werden zaken aan de CGB voorgelegd over christelijke scholen die naar eigen zeggen vanwege hun godsdienstige identiteit onderscheid maakten op basis van homoseksualiteit. In beide zaken erkende de CGB op basis van de statuten van de scholen dat het onderscheid dat werd gemaakt voortvloeide uit hun godsdienstige grondslag, met andere woorden ze kwalificeerde de grondslag van de school als godsdienstig. Zo overwoog de CGB in de zaak uit 1999:
‘Tevens stelt de Commissie vast dat op uit de onder 3.1. aangehaalde documenten [de statuten, JV] met betrekking tot de grondslag van de instelling blijkt dat sprake is van een instelling van bijzonder onderwijs zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 sub c AWGB en dat door de bevoegde bestuurders van deze instelling als zodanig een beroep kan worden gedaan op de wettelijke uitzondering.’
Uiteindelijk werd het onderscheid in beide zaken echter niet beschermd omdat het niet voldeed aan de voorwaarden zoals gesteld in de AWGB.1 Ook in de bekende Schilder-zaak die in 2011 aan de rechtbank werd voorgelegd, werd het onderscheid dat de christelijke K. Schilder-school maakte op basis van homoseksualiteit niet beschermd omdat niet aan alle voorwaarden was voldaan. Wel kwalificeerde de rechter, net als de CGB in de eerder genoemde zaken, de grondslag van de school als godsdienstig. De rechter ging in deze zaak inhoudelijk niet uitgebreid in op de grondslag van de school. Hij volstond met de constatering dat het gaat om ‘… bijzondere onderwijsinstelling met een gereformeerde identiteit, die zich conformeert aan de standpunten van kerk en Synode’.2
De selectie van leerkrachten door het bijzonder onderwijs heeft niet alleen tot juridische procedures geleid ten aanzien van homoseksuele docenten. Er zijn uiteenlopende zaken geweest. Bijvoorbeeld een zaak over een protestants-christelijke school die van werknemers eiste dat ze een verklaring zouden ondertekenen waarin was opgenomen dat ze binnen de school geen kleding zouden dragen die refereerde aan een andere godsdienst dan de protestants-christelijke. De CGB kwalificeerde deze eis als onderscheid op grond van godsdienst en ging daarbij uit van de wijze waarop het bevoegd gezag van de school zijn statuten uitlegde. De CGB overwoog:
‘Verzoekster heeft gemotiveerd aangevoerd dat het uitdragen en belijden van een andere godsdienstige overtuiging haars inziens onverenigbaar is met haar eigen protestants christelijke identiteit. Dit geldt zowel voor de kleding van medewerkers als die van leerlingen. Daarom acht verzoekster het noodzakelijk om, ter waarborging van haar identiteit, het dragen van kleding te verbieden die uiting geeft aan een andere godsdienstige overtuiging dan de protestants christelijke. Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat de eis nodig is voor de verwezenlijking van de grondslag van verzoekster.’3
Een andere zaak waarin de CGB de grondslag van de school op basis van de statuten en de verklaring(en) van de school kwalificeerde als godsdienstig is de zaak-Agora waarin de CGB oordeelde over een evangelische basisschool (Agora) die een sollicitante zou hebben afgewezen vanwege haar visie op het huwelijk en op het feit dat de sollicitante ongehuwd op reis was geweest met haar vriend. De CGB overweegt dat de school een evangelische grondslag heeft die terug te vinden is in de oprichtingsakte, de schoolgids, het schoolplan en op de website van de school. Uiteindelijk oordeelt de CGB echter dat onderscheid onrechtmatig is omdat er niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in de AWGB (omdat er sprake was van onderscheid op grond van het enkele feit van burgerlijke staat).4
In de bovengenoemde jurisprudentie met betrekking tot de selectie van leerlingen en leerkrachten bepaalt de rechter of de school een godsdienstige grondslag heeft. Indien dit zo is, dan is de school een bijzondere school en geniet zij richtingsvrijheid en kan zij onder voorwaarden onderscheid maken op grond van godsdienst. We zien dat in deze zaken de rechter eigenlijk probleemloos uitgaat van een subjectiverende kwalificatie. De rechter bepaalt aan de hand van de statuten en de verklaringen van het bestuur van de school de identiteit van de school. Daarmee geeft de rechter navolging aan de bedoeling van de wetgever. Dat dit zo probleemloos gaat, komt waarschijnlijk doordat de AWGB en de daarover ontstane jurisprudentie voldoende handvatten geven om het gemaakte onderscheid alsnog op andere gronden als onrechtmatig af te doen.