Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.4.1:19.4.1 Voorwaarden voor het maken van onderscheid
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.4.1
19.4.1 Voorwaarden voor het maken van onderscheid
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452802:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tot 2014 gold de zogenoemde ‘enkele feitconstructie’. Deze constructie is vervangen omdat deze leidde tot allerlei onduidelijkheid over de toepassing en geldigheid van de non-discriminatiegronden. Zo speelde de vraag of een homoseksuele docent door een bijzondere school kon worden ontslagen op grond van de bijkomende omstandigheid dat hij een relatie had. Zie hierover Vleugel 2014.
Ze zijn te vergelijken met de beperkingen die opgelegd kunnen worden aan het grondrecht van de vrijheid van godsdienst zoals opgenomen in de beperkingsclausule.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een school op godsdienstige grondslag mag ingevolge artikel 23 lid 6 Grondwet onder bepaalde voorwaarden (opgenomen in artikel 7 respectievelijk artikel 5 AWGB) onderscheid maken in de toelating van leerlingen of de aanstelling van leerkrachten. De rechter zal in die gevallen door toetsing van de statuten de grondslag van de school moeten kwalificeren. Indien deze godsdienstig is, is het onderscheid te kwalificeren als een godsdienstige uiting of gedraging (of op zijn minst een uiting of gedraging die van godsdienst is afgeleid) en kan dit onder bepaalde voorwaarden vallen onder de richtingsvrijheid.
Hoewel de selectie van leerlingen en leerkrachten door een bijzondere school op basis van de godsdienstige grondslag kan worden gezien als een godsdienstige uiting heeft de wetgever bepaald dat deze godsdienstige uiting slechts onder bepaalde voorwaarden bescherming vindt in het recht. De reden hiervoor is dat deze godsdienstige uiting in veel gevallen op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 Grondwet. Deze voorwaarden zijn af te leiden uit artikel artikel 7 lid 2 AWGB en artikel 5 lid 3 sub c AWGB.
Het komt er grofweg op neer dat een school onderscheid mag maken indien dit onderscheid: 1) is gebaseerd op een godsdienstige grondslag, 2) nodig is voor de verwezenlijking van de grondslag, 3) geen betrekking heeft op de non-discriminatiegronden van politieke gezindheid, ras, geslacht, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat,1 4) het toelatingsbeleid van de school voldoende consistent en consequent is. Van deze voorwaarden is in het kader van dit onderzoek eigenlijk alleen de eerste relevant omdat alleen die vraag betrekking heeft op de uitleg van het begrip godsdienst. De andere voorwaarden laat ik verder buiten beschouwing.2