Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.2.1
14.4.2.1 Reguliere voordelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456554:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 27 april 1960, BNB 1960/223, HR 25 januari 1961, BNB 1961/101, Hof's-Gravenhage 1 februari 1965, BNB 1965/276, HR 10 oktober 1973, BNB 1974/1 en HR 5 december 1984, BNB 1986/351.
Zie uitgebreider hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.4 alsmede het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag B.l).
Iets soortgelijks geldt in de sfeer van de bron 'winst uit onderneming', waar art. 44 Wet IB eveneens ten onrechte van toepassing is. Vgl. R.P.C.W.M. Brandsma, 'Besmet' kapitaal, Fiscale monografie nr. 82, blz. 36-37, Kluwer, Deventer, 1997.
Naar mijn oordeel heeft de fiscale wetgever het pad van de subjectivering in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling niet consequent ingeslagen. Dit komt met name tot uitdrukking in de categorie reguliere voordelen:
meegekochte dividenden worden volledig in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken, terwijl veel meer sprake is van een gedeeltelijke teruggaven van de verkrijgingsprijs;
winstbonusaandelen worden op het moment van uitreiking voor hun nominale bedrag in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken, terwijl in subjectieve zin in feite slechts sprake is van een verdeling van de aandeelhoudersrechten over meer aandeelpapieren;
onbegrensde doorwerking van de claimhandhavingsbepaling van art. 44 Wet IB in de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'.
Gelet op het subjectieve karakter van de nieuwe bron 'winst uit aanmerkelijk belang', kan mijns inziens niet goed worden ingezien waarom zgn. meegekochte dividenden op het moment van uitkering volledig in de aanmerkelijkbelangheffing moeten worden betrokken. Vanuit een objectief regime is een dergelijke onbeperkte belastingheffing over meegekochte dividenden aanvaardbaar, in een subjectief regime daarentegen past dit niet. In een subjectief regime past het veel meer om zgn. meegekochte dividenden (voorlopig) buiten de belastingheffing te laten en af te boeken op de verkrijgingsprijs van de zojuist verworven aandelen en winstbewijzen. Aldus wordt een regeling verkregen die sterk lijkt op die in de winstsfeer, alwaar meegekochte dividenden eveneens buiten de belastingheffing blijven en van de boekwaarde resp. het opgeofferd bedrag van de recent verworven aandelen en winstbewijzen worden afgeboekt.1 Iets soortgelijks geldt voor de regeling van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB ingevolge welke winstbonusaandelen op het moment van uitgifte voor de nominale waarde in de belastingheffing worden betrokken. Ook deze regeling is nog te zeer gestoeld op de oude tot 1 januari 1997 ook voor aanmerkelijkbelanghouders geldende regeling van art. 29, eerste lid, Wet IB. In de nieuwe meer subjectieve aanmerkelijkbelangregeling is een dergelijke regeling echter minder vanzelfsprekend, aangezien in subjectieve zin de aanmerkelijkbelanghouder niet verrijkt door de uitgifte van winstbonusaandelen. Zijn gerechtigdheid tot de winstreserves van de vennootschap blijft ongewijzigd, doch wordt slechts over meer aandeelpapieren verdeeld. Mijns inziens past het in een subjectief regime om de uitgifte van winstbonusaandelen onbelast te laten en de belastingheffing hierover pas te laten plaatsvinden wanneer de aandelen, incl. de uitgereikte winstbonusaandelen, worden vervreemd. Een fiscale claim gaat ook niet verloren, aangezien door de werking van art. 20c, achtste lid, Wet IB en de regeling van de gemiddelde verkrijgingsprijs van art. 20c, derde lid, tweede volzin, Wet IB door de uitgifte van de winstbonusaandelen de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel afneemt. Hierdoor wordt de belastingheffing over de winstbonusaandelen verschoven naar het (toekomstige) moment van vervreemding van de (winstbonus)aandelen. Hierdoor kan tevens de bijzondere regeling van art. 20c, achtste lid, Wet IB vervallen. Aldus wordt in de aanmerkelijkbelangsfeer eenzelfde fiscale behandeling van winstbonusaandelen verkregen als het geval is in de sfeer van de bron 'winst uit onderneming'.
Ten slotte valt niet goed in te zien waarom in de nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregeling de bijzondere claimhandhavingsbepaling van art. 44 Wet IB moest worden gehandhaafd.2 In het nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime is niet langer behoefte aan een met art. 44 Wet IB vergelijkbare bepaling. Tegen ongewenste effecten, nl. het geforceerd verhogen van de (onbelaste) teruggaafruimte door middel van een belastingvrije aandelenruil, waakt reeds de aandelenruilfaciliteit van art. 20f Wet IB. Ingevolge deze faciliteit wordt de verkrijgingsprijs van de ingebrachte aandelen doorgeschoven naar de in het kader van de aandelenruil nieuw verkregen aandelen. In het huidige regime doet zich mijns inziens de vreemde situatie voor dat geen onbelaste teruggaaf van aandelenkapitaal mogelijk is als op de aandelenruil de doorschuiffaciliteit van art. 20f Wet IB niet van toepassing is. De aandelenruil heeft dan tot aanmerkelijkbelangheffing geleid, zodat in zoverre de aanmerkelijkbelangclaim is afgerekend. Toch is door de werking van art. 44 Wet IB een onbelaste teruggave van het gestorte kapitaal - mijns inziens ten onrechte -niet mogelijk.3
Van minder fundamentele aard is dat niet duidelijk is hoe moet worden omgegaan met reguliere voordelen, bijvoorbeeld 'normale' dividenduitkeringen, die niet in Nederlandse guldens luiden. Hierbij kan worden gedacht aan reguliere voordelen in natura dan wel reguliere voordelen in vreemde valuta. De onduidelijkheid wordt opgeroepen door het feit dat in art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB niet mede wordt verwezen naar de voor de inkomsten in natura geschreven regeling van art. 34 Wet IB. Mijns inziens is hier echter geen sprake van een bewuste keuze van de fiscale wetgever - zoals wel het geval is met betrekking tot de dividendvrijstelling van art. 42c Wet IB - zodat het mijns inziens aanbeveling verdient deze omissie zo spoedig mogelijk te herstellen.
Ten slotte kan mijns inziens geen afdoende rechtvaardiging worden gevonden voor het feit dat in art. 20b, eerste lid, onderdeel e, Wet IB niet tevens wordt verwezen naar art. 25, zestiende lid, Wet IB. Dit betekent immers dat de vestiging of toescheiding van een tijdelijk genotsrecht krachtens erfrecht of in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap als gevolg van ontbinding van een huwelijk op aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen buiten situaties van sfeerovergang niet is gedefiscaliseerd. De aanmerkelijkbelanghouder wordt dan belast voor de daadwerkelijk genoten tegenprestatie, terwijl de tijdelijk genotsrechtigde daarentegen geen (op grond van art. 36, negende lid, onderdeel a, Wet IB en art. 38, derde lid Wet IB gemaximeerde en getemporiseerde) aftrek van de betaalde tegenprestatie heeft. De tijdelijk genotsgerechtigde valt immers niet onder de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' doch onder de bron 'inkomsten uit vermogen' en wordt dus wel geconfronteerd met de defiscaliseringsregeling van art. 25, zestiende lid, Wet IB. Dubbele belastingheffing is het gevolg. Mijns inziens dient art. 20b, eerste lid, onderdeel e, Wet IB zo spoedig mogelijk en met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 te worden aangevuld met een verwijzing naar art. 25, zestiende lid, Wet IB.