Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.7
6.7 De vaststelling van opzet en grove schuld als het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt ontbreekt
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565026:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.1.5.
Hof Amsterdam 4 maart 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH8261, r.o. 2.4.2.3; Rb. Breda 20 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1484, r.o. 4.21; Rb. Den Haag 28 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2407, r.o. 2.33; Rb. Den Haag 28 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2235, r.o. 2.35. Deze jurisprudentie is overigens niet van toepassing bij de vaststelling van kwade trouw en de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld. Bij deze begrippen kan de geestesgesteldheid van de gemachtigde immers worden toegerekend aan de belastingplichtige.
Rb. Breda 20 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1484, r.o. 4.21-4.23; Rb. Den Haag 28 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2407, r.o. 2.33; Rb. Den Haag 28 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2235, r.o. 2.35.
Een belastingplichtige die een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt heeft ingenomen zal op grond van het voorgaande, in de lijn met de bestaande fiscale boetejurisprudentie, vaak ongestraft kunnen blijven. Het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt bewerkstelligt, zoals hiervoor uitgewerkt, dat het aanvaardingsvereiste bij voorwaardelijk opzet strenger wordt ingevuld of het vormt een van de vereisten voor toepassing van een ongeschreven bijzondere strafuitsluitingsgrond. Tevens brengt het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt in situaties waarin het weten en/of het willen ontbreekt mee dat geen grove schuld kan worden vastgesteld, omdat een belastingplichtige bij een dergelijk standpunt zonder meer redelijkerwijs kan menen juist te handelen.
Dit betekent echter niet dat een belastingplichtige die meende een pleitbaar standpunt in te nemen zonder meer kan worden beboet of gestraft als dat standpunt niet naar objectieve maatstaven pleitbaar blijkt te zijn. In de paragrafen 6.3.2.1, 6.3.2.2 en 6.6.1 van dit hoofdstuk is uitgewerkt wanneer dan aan de vereisten van opzet of grove schuld is voldaan.
Een dergelijke situatie zal zich met name voordoen als een belastingplichtige door zijn gemachtigde is geadviseerd dat zijn standpunt pleitbaar is, terwijl dat niet zo blijkt te zijn. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in een arrest uit 2009 geoordeeld dat er bij een belastingplichtige die zich bij het doen van de aangifte heeft laten bijstaan door een gemachtigde, geen aanleiding is tot het stellen van de algemene eis dat die belastingplichtige zich ook zelf in het belastingrecht heeft verdiept, vooropgesteld dat hij die gemachtigde voor voldoende deskundig mocht houden en hij aan zijn taakvervulling niet hoefde te twijfelen.1 Uit dit arrest is op te maken dat een belastingplichtige, als het gaat om de interpretatie en toepassing van het belastingrecht, onder bepaalde voorwaarden kan en mag vertrouwen op zijn gemachtigde.
In aansluiting op dit arrest is door de belastingrechter in feitelijke instantie geoordeeld dat een belastingplichtige zich, ook als het gaat om de vraag of een standpunt pleitbaar is, op de veronderstelde deskundigheid van zijn gemachtigde mag verlaten.2 In deze jurisprudentie lijkt het kunnen en mogen vertrouwen van de belastingplichtige op zijn gemachtigde, op grond waarvan de belastingplichtige, hoewel ten onrechte, heeft verondersteld dat hij een weliswaar mogelijk onjuist maar pleitbaar standpunt heeft ingenomen, het ontbrekende naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt als het ware te vervangen. Hierop doorredenerend zou een dergelijk vertrouwen dan – in plaats van het ontbrekende naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt – kunnen bewerkstelligen dat het aanvaardingsvereiste bij voorwaardelijk opzet anders wordt ingevuld of zou het vermeende of putatieve pleitbare standpunt een ongeschreven bijzondere strafuitsluitingsgrond kunnen vormen. Dit kan echter alleen aan de orde zijn als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte daadwerkelijk heeft vertrouwd op de visie van de gemachtigde dat het standpunt pleitbaar is. Als dat niet zo is, als de belastingplichtige wist of meende te weten dat het standpunt niet pleitbaar, maar gewoonweg onjuist was, raakt het uitgangspunt dat de belastingplichtige op de gemachtigde had kunnen en mogen vertrouwen de vaststelling van het opzet niet.3
Voorts zou, hierop verder doorredenerend, ten behoeve van het ontbreken van grove schuld een gedragsnorm moeten gelden die erop neer zou komen dat een belastingplichtige die heeft vertrouwd op het advies van zijn gemachtigde dat zijn standpunt pleitbaar is, terwijl dat standpunt niet pleitbaar blijkt te zijn, toch zodanig voorzichtig of zorgvuldig heeft gehandeld dat grove schuld ontbreekt. Het is de vraag of een dergelijke gedragsnorm overeenstemt met in de maatschappij levende opvattingen. Ik ga hier verder niet op in.