Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.1:6.1 Inleiding
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569912:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit laatste hoofdstuk onderzoek ik de tweede vraag – de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet leidt – nog een keer, maar nu om vast te stellen wanneer en hoe (wegens het ontbreken van opzet of op andere wijze) een pleitbaar standpunt zowel in het fiscale boete- als in het fiscale strafrecht tot straffeloosheid zou moeten leiden.
In het huidige fiscale boeterecht brengt het naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt mee dat opzet, ongeacht de subjectieve omstandigheden, steeds afwezig is. Uit de vorige hoofdstukken is naar voren gekomen dat het zonder meer ontbreken van opzet en de daaruit volgende straffeloosheid geen juridisch onvermijdelijke gevolg van de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt hoeft te zijn.
In dit hoofdstuk formuleer ik een voorstel voor een eenduidige juridische behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boete- en het strafrecht. Dit voorstel vormt ook geen juridische onvermijdelijkheid, maar is de juridische uitwerking van een aantal uitgangspunten.
De keuze voor deze uitgangspunten is ingegeven door het streven om tot een eenduidige behandeling te komen die met inachtneming van de strafrechtelijke beginselen en dogmatiek zo goed mogelijk is in te passen in de bestaande boete- en strafjurisprudentie. In de eerste plaats wordt als uitgangspunt genomen dat voor de invulling van het opzetbegrip in het fiscale boeterecht wordt aangesloten bij het fiscale strafrecht.1 In de tweede plaats ga ik ervan uit dat ook in het fiscale strafrecht een rol voor het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt is weggelegd.2 Tot slot ga ik ervan uit dat het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt zowel in het fiscale straf- als in het fiscale boeterecht uitsluitend straffeloosheid tot gevolg hoeft te hebben als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte heeft verondersteld dat hij een juiste aangifte deed of in ieder geval heeft verondersteld dat hij op dat moment een pleitbaar standpunt innam.3 Deze uitgangspunten worden in paragraaf 6.2 besproken.
Om aan de hand van deze uitgangspunten tot een voorstel voor eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boete- en strafrecht te komen, wordt in dit hoofdstuk de volgende werkwijze gevolgd. Eerst worden in paragraaf 6.3 de situaties uitgewerkt waarin zowel een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt in de aangifte is verwerkt als waarin ook aan de vereisten voor opzet is voldaan.
Hierbij wordt op grond van het eerste uitgangspunt ervan uitgegaan dat het opzetbegrip volgens het fiscale strafrecht wordt ingevuld. Het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt vervult bij deze uitwerking (nog) geen bijzondere rol. Eerder in dit onderzoek, in hoofdstuk 3, ben ik al op deze uitwerking vooruitgelopen, hoewel uitsluitend in verband met de situatie waarin een belastingplichtige bewust een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.4 De vraag wanneer bij een bewust ingenomen pleitbaar standpunt tot aanvaarding en daarmee tot voorwaardelijk opzet kan worden geconcludeerd is in hoofdstuk 3 echter nog onbeantwoord gebleven.5 Deze vraag zal in paragraaf 6.3 alsnog worden beantwoord.
Aan de hand van het derde uitgangspunt wordt vervolgens in paragraaf 6.4 onderzocht in welke van de in de vorige paragraaf achterhaalde opzetsituaties straffeloosheid alsnog passend is. In dat geval heeft het pleitbare standpunt namelijk niet alleen in het fiscale boeterecht, maar op grond van het tweede uitgangspunt ook in het fiscale strafrecht een rol te vervullen om tot straffeloosheid te komen.
Tot slot wordt in paragraaf 6.5 uitsluitend ten behoeve van de in paragraaf 6.4 achterhaalde situatie (de situatie waarin straffeloosheid passend is, ook al is aan de vereisten van opzet voldaan) uitgewerkt op welke wijze de rol van het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt zowel in het fiscale boete- als in het fiscale strafrecht juridisch kan worden vormgegeven.
Het pleitbare standpunt is in het belastingrecht echter niet alleen voor opzetboetes van belang. In het huidige fiscale boeterecht leidt het pleitbare standpunt ook tot het ontbreken van grove schuld en tot het vervallen van een verzuimboete. Voorts is het pleitbare standpunt van invloed op kwade trouw en op de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld. Om de invloed van het pleitbare standpunt in het belastingrecht consistent te houden, moet ook de invloed van het pleitbare standpunt op de vaststelling van grove schuld, de verzuimboetes, de kwade trouw en de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld in overeenstemming zijn met de in paragraaf 6.2 besproken uitgangspunten. In paragraaf 6.6 wordt daarom nader bezien welke invloed het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt zou moeten hebben op de mogelijkheden om een grove schuld- of een verzuimboete op te leggen, alsmede op de mogelijkheden om tot kwade trouw of tot de voor de omkering van de bewijslast benodigde schuld te concluderen en hoe die invloed juridisch zou moeten worden vormgegeven.
Tot slot wordt in paragraaf 6.7 de situatie besproken waarin de belastingplichtige weliswaar heeft gemeend een pleitbaar standpunt in te nemen, maar er objectief gezien geen pleitbaar standpunt is.
Ik beëindig dit hoofdstuk met een afsluiting in paragraaf 6.8.