Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/14.2
14.2 De in pari delicto verkerende gelaedeerde
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586249:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering is Van Nispen 1978, nr. 143 die het door mij genoemde eerste gevaltype heeft onderscheiden.
Zie onder meer: HR 24 januari 1936,NJ 1936/427 m.nt. E.M. Meijers (Everts/Van Krimpen); HR 4 januari 1963,NJ 1964/434 m.nt. G.J. Scholten (Scholten/Scholtens Aardappelmeelfabriek); HR 16 februari 1973,NJ 1973/463 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Maas/Willems) en HR 23 februari 2007,NJ 2008/492 m.nt. J.B.M. Vranken (Io Vivat).
Mede om deze reden acht ik terecht de waarschuwing van Weinrib 1976, p. 28, naar aanleiding van de formule ‘ex turpi causa non oritur actio’ (op een onzedelijke grondslag kan geen actie worden gebaseerd), “The very facility of applying an apparently adaptable and intuitively appealing formula to different situations may obscure the particular considerations appropriate to each context.”
In bijvoorbeeld HR 7 december 1990,NJ 1991/474 m.nt. E.A.A. Luijten (SHV/Nauta) werd om deze reden het eigenschuldleerstuk exclusief van toepassing geacht, in HR 31 maart 1995,NJ 1997/592 m.nt. C.J.H. Brunner (Taams/Boudeling) leidde toepassing van beide leerstukken tot het geheel aan de gelaedeerde ontzeggen van zijn vordering en in HR 23 februari 2007,NJ 2008/492 (Io Vivat) leidde de in-pari-delicto-figuur tot dat resultaat. Indien in laatstgenoemde zaak vast zou komen te staan dat naast de gelaedeerde, De Groot, ook andere commissieleden verantwoordelijk waren voor het evenement, acht ik toepassing van het eigenschuldleerstuk aangewezen om een gedeeltelijke afslag op de aanspraak mogelijk te maken (zie ook rov. 3.6.4 van het arrest).
Meijers in zijn noot bij HR 24 januari 1936,NJ 1936/427 (Everts/Van Krimpen); Van Nispen 1978, nr. 146 die tot uitgangspunt neemt dat de schending van dezelfde norm niet aan een aanspraak in de weg staat; zo ook Lankhorst 1992a, p. 91, voetnoot 14. Anders, naar het lijkt, Lindenbergh 2009, p. 580.
In HR 23 februari 2007,NJ 2008/492 (Io Vivat) was van opzettelijke normschending geen sprake. Naar ik meen laat de beslissing in dit arrest zich, ondanks de door de Hoge Raad gegeven motivering, beter begrijpen door haar te zien als situatie waarin de gelaedeerde het onrechtmatig handelen door de laedens heeft veroorzaakt en om die reden geen aanspraak op schadevergoeding heeft.
Zie ook nr. 21.
539. Naar de letterlijke betekenis van de term, heeft de in pari delicto verkerende gelaedeerde een fout gemaakt die van gelijk gewicht is als de fout die hij de laedens verwijt gemaakt te hebben. In de literatuur worden echter ook enigszins andersoortige situaties met deze term aangeduid, zonder deze situaties nader te duiden.1 Zinvol is mijns inziens om onderscheid te maken tussen twee gevaltypen. In het eerste gevaltype heeft de gelaedeerde met een normschendende gedraging tamelijk dwingend aanleiding gegeven voor het door de laedens plegen van een onrechtmatige daad.2
Te denken valt aan Taams/Boudeling:3 Taams bracht Boudeling met langdurig getreiter ertoe hem een klap te geven. De Hoge Raad achtte die gedraging van Boudeling niet onrechtmatig jegens Taams.
In het tweede gevaltype heeft de gelaedeerde dezelfde norm geschonden als die hij de laedens verwijt geschonden te hebben.4
Illustratief is Maas/Willems:5 Willems vorderde van haar concurrent Maas schadevergoeding op de grond dat deze in strijd met de wet te lage vervoerstarieven rekende. Op de grond dat Willems deze wet zelf ook op deze wijze had overtreden oordeelde de Hoge Raad dat Maas niet tegenover Willems onrechtmatig had gehandeld.
540. In de literatuur bestaat, zoals ook in nr. 122 naar voren kwam, geen overvloedige belangstelling voor het scherp onder woorden brengen van de rechtvaardiging van de begrenzing van aansprakelijkheid in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde. Doorgaans wordt naar uitdrukkingen verwezen zoals de pot verwijt de ketel dat zij zwart ziet, he who comes to equity must come with clean hands en diverse Latijnse adagia van de strekking dat degene die zelf fout zat niet een ander kan aanspreken.6 Deze uitdrukkingen hebben een zekere zeggingskracht, maar onvoldoende verklarend vermogen. Zij hebben namelijk ook betrekking op de situatie van eigen schuld van de gelaedeerde. In die situatie wordt de gelaedeerde doorgaans niet zonder meer zijn aanspraak op schadevergoeding ontzegd. Bij de toepassing van het eigenschuldleerstuk ligt, integendeel, eerder voor de hand om bij gelijkwaardigheid van de fout van de laedens en van de gelaedeerde beide partijen de helft van de schade te laten dragen. Wanneer in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde naar genoemde uitdrukkingen wordt verwezen, is daarmee op zichzelf dus nog niet verklaard waarom de gelaedeerde zijn gehele aanspraak dient te verliezen.7
541. In het eerste gevaltype, waarin de gelaedeerde tamelijk dwingend aanleiding geeft tot de normschendende gedraging van de laedens, ligt de ratio van de begrenzing van aansprakelijkheid mijns inziens in een combinatie van overwegingen die ook spelen bij de begrenzing van aansprakelijkheid bij overmacht van de laedens en bij eigen schuld van de gelaedeerde. Omdat door de gelaedeerde tamelijk dwingend aanleiding wordt gegeven voor het door de laedens plegen van de onrechtmatige daad, kan de laedens daar niets tot weinig aan doen. Bovendien heeft de gelaedeerde door het dwingende aanleiding geven tot die onrechtmatige daad van de laedens daarmee mede zijn eigen schade veroorzaakt.
In situaties van dit eerste type kan de laedens steeds zowel betogen dat de gelaedeerde in pari delicto verkeert, als dat de gelaedeerde eigen schuld aan zijn schade heeft. Situaties van dit gevaltype lopen vloeiend over in de situaties waarin alleen het eigenschuldleerstuk kan worden toegepast. Indien de gelaedeerde onvoldoende dwingend de normschendende gedraging van de laedens heeft veroorzaakt, is het niet meer gerechtvaardigd om de gelaedeerde zijn aanspraak op schadevergoeding geheel te ontzeggen. Nog wel gerechtvaardigd kan het dan zijn om de gelaedeerde zijn aanspraak op schadevergoeding gedeeltelijk te ontzeggen.8
542. Enigszins lastiger ligt het rechtvaardigen van het ontzeggen van de aanspraak op schadevergoeding aan de gelaedeerde in het tweede gevaltype, waarin de gelaedeerde dezelfde norm heeft geschonden als de laedens. Het enkele door de gelaedeerde schenden van dezelfde norm brengt mijns inziens niet zonder meer mee dat de gelaedeerde de laedens niet meer kan aanspreken.9
Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarbij twee racefietsers elkaar op een fietspad tegemoet fietsen, tegelijkertijd hun voorliggers inhalen en zo beiden op het midden van de weg komen te fietsen en met elkaar in aanrijding komen. Ik zie niet in waarom het enkele gegeven dat deze personen dezelfde norm hebben geschonden, zou maken dat zij beiden in het geheel geen aanspraak meer op schadevergoeding zouden hebben.
De omstandigheid dat de gelaedeerde dezelfde norm opzettelijk heeft geschonden, lijkt mij hier van belang te zijn. Wie opzettelijk een norm schendt, neemt als het ware die norm in een zodanige mate niet serieus dat het inconsistent en onredelijk zou zijn om diegene wel de mogelijkheid te geven een ander op de schending van die norm aan te spreken.10 Maar of dat de consequentie dient te zijn, blijft mijns inziens van de omstandigheden afhangen. Wanneer bijvoorbeeld de normschending van de gelaedeerde veel minder ernstig is (bijvoorbeeld minder omvangrijk of minder vergaand) dan die van de laedens, bestaat reden om de gelaedeerde zijn aanspraak niet te ontzeggen.11
543. Het nader analyseren van de begrenzing van aansprakelijkheid in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde, valt buiten het bestek van dit boek.12