Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.9:3.9 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.9
3.9 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950321:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens voor zover partijen een uitzondering overeenkomen (zie § 2.6 en § 4.6.1).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 6:52 BW is voor het algemene opschortingsrecht een opeisbare vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij vereist. Daarmee komt tot uitdrukking dat in een door het algemene opschortingsrecht beheerst geval sprake is van wederzijds schuldenaarschap. Evenals de vordering, dient ook de verbintenis van de schuldenaar opeisbaar te zijn. Tussen deze verbintenissen over en weer dient voldoende samenhang te bestaan om opschorting te rechtvaardigen. Op vrijwel al deze vereisten bestaan uitzonderingen, behalve op het samenhangcriterium.1
Met het begrip ‘verbintenis’ doelt artikel 6:52 BW op de verplichting of schuld die de schuldenaar jegens zijn wederpartij heeft. Met het begrip ‘vordering’ wordt het vorderingsrecht van de schuldenaar op zijn wederpartij bedoeld. Deze verbintenis en vordering vinden hun grond in twee afzonderlijke vermogensrechtelijke betrekkingen tussen partijen. Wanneer aan dergelijke rechtsbetrekkingen ontsproten verbintenissen over en weer centraal staan in een opschortingsgeval, wordt dit geval beheerst door de algemene opschortingsregeling in afdeling 6.1.7 BW. In zekere zin kent het algemene opschortingsrecht dus een beperking, omdat het verbintenissen over en weer vereist. Niettemin kunnen op opschortingsgevallen waarin wederzijdse verplichtingen niet tevens als een verbintenis kwalificeren of waarin de verplichting van één van de partijen niet tevens als een verbintenis kwalificeert, maar tussen deze wederzijdse verplichtingen wel voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, de daarvoor geschikte bepalingen uit afdeling 6.1.7 BW overeenkomstig van toepassing zijn. De ene partij is dan wel bevoegd de voldoening van zijn verplichting op te schorten, indien aan de uit artikel 6:52 BW voortvloeiende maatstaf is voldaan. Deze analogische toepassing geldt niet voor gevallen waarin sprake is van verplichtingen zonder vermogensrechtelijk karakter of verplichtingen die niet door het recht worden beheerst.
De schuldenaar dient een vordering op zijn wederpartij te hebben. Zonder vordering komt hem geen beroep op het algemene opschortingsrecht toe. Het geval waarin achteraf komt vast te staan dat het de schuldenaar ten tijde van het ingeroepen opschortingsrecht met terugwerkende kracht heeft ontbroken aan een vordering kan hierop onder omstandigheden een uitzondering vormen. De vordering dient tevens opeisbaar te zijn. Opeisbaarheid in artikel 6:52 BW heeft een ruime betekenis. Voor dit vereiste dient vast te komen staan dat de schuldenaar een vorderingsrecht met rechtsvordering heeft en dat hij bevoegd is nakoming te vorderen. Die bevoegdheid heeft hij nog niet als een eventuele voorwaarde voor opeisbaarheid van de vordering niet is vervuld. Voor opeisbaarheid van de vordering behoeft de omvang van de vordering nog niet vast te staan. Evenmin is ingebrekestelling of verzuim van de wederpartij vereist. Voor het opschortingsrecht is voldoende dat de wederpartij de vordering van de schuldenaar niet of niet meer nakomt. Het mag evenwel voor de wederpartij niet blijvend onmogelijk zijn om na te komen. Dan heeft de schuldenaar geen opschortingsbevoegdheid.
Eén van de uitzonderingen op het vereiste van een opeisbare vordering is het geval waarin de rechtsvordering van de schuldenaar is verjaard, terwijl zijn opschortingsbevoegdheid voor het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan en hij deze ook voordien uitoefende. De schuldenaar mag de nakoming van zijn verbintenis in verband met zijn verjaarde rechtsvordering en dus niet-opeisbare vorderingsrecht dan blijven opschorten.
Een andere uitzondering op het vereiste van een opeisbare vordering is de vervroegde opschorting door anticipatie op een niet-nakoming van de vordering als bedoeld in artikel 6:80 BW. In de limitatief in dit artikel opgesomde gevallen treden de gevolgen van niet-nakoming in voordat de vordering opeisbaar is. Eén van deze gevolgen is het vervroegd mogen inroepen van een opschortingsrecht.
Artikel 6:52 BW vereist tevens een opeisbare verbintenis van de schuldenaar jegens zijn wederpartij. Evenals voor een opeisbare vordering, kan voor het opeisbaarheidsbegrip in verband met de verbintenis uit worden gegaan van een ruime betekenis daarvan. Wanneer de verbintenis van de schuldenaar niet opeisbaar is, is de vraag of de schuldenaar een opschortingsbevoegdheid heeft zonder belang. Het ontbreekt de schuldenaar dan zelfs aan een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 BW, omdat hij de grond voor het betwisten van de gevorderde nakoming ontleent aan de niet-opeisbaarheid van zijn verbintenis en niet aan een door zijn wederpartij gevorderde nakoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid, die eruit bestaat dat zij nakoming verlangt zonder harerzijds nakoming aan te bieden. De wederpartij heeft immers geen recht om nakoming te vorderen als de verbintenis niet opeisbaar is. Voorts ontbreekt de opschortingsbevoegdheid in een dergelijk geval, omdat de uitoefening van een opschortingsrecht onder meer leidt tot de niet-opeisbaarheid van de verbintenis en kan leiden tot schuldeisersverzuim. Het rechtsgevolg van niet-opeisbaarheid kan opschorting niet hebben in geval van een niet-opeisbare verbintenis. Evenmin kan sprake zijn van een wederpartij die de nakoming van haar niet-opeisbare vordering door de schuldenaar toerekenbaar belet, door in strijd met de redelijkheid en billijkheid nakoming te verlangen zonder harerzijds na te komen, terwijl zij vanwege de niet-opeisbaarheid niet bevoegd is nakoming af te dwingen en zij niet zonder meer hoeft te begrijpen dat de schuldenaar voorafgaand aan het opeisbaarheidsmoment zou willen nakomen.
Wanneer wel sprake is van een opeisbare verbintenis, dient de schuldenaar, evenals zijn wederpartij, tot nakoming in staat te zijn op het moment dat hij een beroep doet op het algemene opschortingsrecht. Anders is geen sprake van het uitstellen van een op zichzelf mogelijke nakoming, hetgeen artikel 6:52 BW wel veronderstelt.
Tot slot vereist artikel 6:52 lid 1 BW dat tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. Op dit samenhangcriterium bestaan geen uitzonderingen, omdat dit het centrale vereiste van het algemene opschortingsrecht vormt. De codificatie van het samenhangcriterium is niet als een beoordelingsmaatstaf bedoeld. De beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium dient te worden gevonden in de redactie van het algemene opschortingsrecht in het ontwerp-Meijers, waarin de door de wet vereiste bepaalde samenhang is gecodificeerd. Het gaat bij de beoordeling van het samenhangcriterium onverminderd om de vraag of er een zodanige samenhang tussen de vordering en de verbintenis bestaat, dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming te vorderen zonder nakoming van zijn verbintenis aan te bieden. Deze beoordelingsmaatstaf ligt in het verlengde van de grondslag en het doel van het algemene opschortingsrecht. Deze maatstaf, die onafhankelijk bestaat van de redactie van het samenhangcriterium, verhoudt zich niet met een tweeledige betekenis die wel aan het samenhangcriterium wordt toegekend, waarbij dit criterium wordt opgeknipt in een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’. Tegen die tweeledige betekenis bestaan ook praktische bezwaren, omdat een beoordelingsmaatstaf voor ‘voldoende samenhang’ ontbreekt, zodat niet duidelijk is op basis waarvan de vereiste samenhang kan worden vastgesteld, laat staan dat kan worden bepaald of deze samenhang voldoende is.
Het samenhangcriterium is een redelijkheids- en billijkheidstoets, waarbij het zwaartepunt ligt op de beoordeling van de vraag van welke verbintenis de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nakoming dient aan te bieden, gelijktijdig met de door haar gevorderde nakoming. Als de wederpartij nakoming zou verlangen zonder harerzijds nakoming aan te bieden van haar verbintenis jegens haar schuldenaar, die zij, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gelijktijdig met de verbintenis van de schuldenaar dient na te komen, rechtvaardigt dit handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de schuldenaar bij wijze van verweer de nakoming van zijn verbintenis jegens zijn wederpartij opschort, totdat zij haar verbintenis heeft voldaan. In dat geval is voor wat betreft die verbintenissen aan het samenhangcriterium voldaan. Deze samenhang is niet noodzakelijkerwijs wederzijds.
Samenhang tussen de verbintenissen over en weer om opschorting te rechtvaardigen is niet een beoordelingsmaatstaf of te beoordelen criterium op zichzelf, maar veeleer een conclusie die volgt op de toepassing van de beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium in het concrete geval. Deze conclusie is binair: voldoende of onvoldoende samenhang. De drempel van voldoende samenhang lijkt niet hoog. Voor het kunnen doen van een beroep op het algemene opschortingsrecht in een bepaald geval is vereist dat de verbintenis en vordering van de schuldenaar een bepaalde samenhang vertonen, waarvoor een licht verband tussen de verbintenissen over en weer voldoende is.