Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.3.2
2.4.3.2 Gevallen en kenmerken van hoofdelijkheid
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589244:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie 2.4.3.4 (uitbreiding gevallen van hoofdelijkheid) en 2.5.2.3 (twee-vorderingenleer).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/105; Asser/Van den Berg 7-VI 2013/243.
Honée in Vereeniging Handelsrecht 1998, p. 5; Honée 2000, sub 10.
In deze zin reeds: Van Olffen 1999, sub 5.
HR 8 juli 2011, JOR 2012/67, NJ 2011/308(Jurrius/Dobbelaar), met een beroep op TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 100 (bij art. 6.1.2.2, het huidige art. 6:7 BW). Van Boom 2016, par. 3.4.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/105.
Voor een voorbeeld van toepassing van art. 33 Invorderingswet op de vennoot van een maatschap, zie Hof Den Haag 26 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2343.
Er zijn meer gevallen van risicoaansprakelijkheid. Dit zijn slechts voorbeelden.
Vgl. Portier & Zaman 2003, p. 330, die art. 6:109 BW in verband brengen met de regeling voor vennotenaansprakelijkheid in art. 813 lid 2 van het Ontwerp-Maeijer.
Art. 6:7 lid 2 BW. Van Boom 1999, p. 29 e.v. en p. 48; Blomkwist 2006, p. 3; Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/99; Van Boom 2016, par. 3.1 en 3.4.
Van der Grinten 1993, nr. 44; Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-1 2004/113; Biemans in GS Verbintenissenrecht, art. 6:6 BW, aant. 8.2 (bijgewerkt tot 1 februari 2014).
HR 3 april 2015, JOR 2015/191, NJ 2015/255(Eikendal q.q./Lentink Metaalwarenfabriek).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/100 en 112. Andere voorbeelden van hoofdelijke, maar gedeeltelijke aansprakelijkheid: art. 1:102 lid 1 tweede volzin en art. 2:334t lid 3 tweede volzin BW. Anders: Kamerstukken II 1995-1996, 24 702, nr. 3, p. 19, waar wordt vermeld dat in art. 2:334t BW van hoofdelijkheid geen sprake is, nu niet elke rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk is, en dat daarom in art. 334t lid 5 BW de regels van hoofdelijkheid van overeenkomstige (!) toepassing zijn verklaard.
Art. 7:850 en 7:855d1 BW. Blomkwist 2006, p. 3; Van Boom 2016, par. 3.3 en 3.5.3.
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 95 (bij afdeling 2, algemeen; HR 28 mei 1999, JOR 1999/191,NJ 2000/290 (Spektrum/Van der Valk); HR 8 januari 2010, NJ 2010/155(L/UWV). Dat het ‘tenzij’ in genoemde vindplaatsen mag worden gelezen als ‘behalve voor zover’ is terecht opgemerkt in Rb. Midden-Nederland 14 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4895 (Adviesbureau B).
In diverse gevallen zijn de vennoten van een maatschap hoofdelijk voor maatschapsschulden verbonden. Ik geef een kort overzicht van de relevante regels. Elders wordt besproken of het aantal gevallen van hoofdelijkheid naar komend recht moet worden uitgebreid, en of de aansprakelijkheid van een individuele vennoot in privé ten opzichte van de aansprakelijkheid van de vennoten gezamenlijk (met verhaalsrecht op het maatschapsvermogen) een hoofdelijk karakter heeft.1
Is een prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden (art. 6:6 lid 2 BW). Ondeelbaar is bijvoorbeeld de verplichting tot levering van een specifieke zaak. Aangenomen wordt dat de verbintenis tot uitvoering van een bouwwerk (zoals het bouwen van een huis) ondeelbaar is.2 De opdracht aan een beroepsbeoefenaar tot een bepaalde verrichting schept als regel een ondeelbare verbintenis.3 De staatssecretaris van Financiën leek bij de invoering van de fiscale bepalingen over juridische splitsing van mening te zijn dat een belastingschuld ondeelbaar is.4 Een belastingschuld is echter een geldschuld en dus per definitie deelbaar.5 De verbintenis om iets niet te doen is naar de modernste inzichten geen ondeelbare verbintenis. Immers, als die verbintenis twee schuldenaren heeft, strekt nakoming door de een niet tot bevrijding van de ander.6 Wel kunnen de schuldenaren in dat geval op grond van een bijzondere wetsbepaling ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit niet-naleving voortvloeiende schade.7
Andere voorbeelden van hoofdelijkheid krachtens de wet zijn de aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen bij onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 lid 2 BW), de aansprakelijkheid van twee of meer personen die verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (art. 6:102 BW), de aansprakelijkheid van gezamenlijke opdrachtgevers en opdrachtnemers (art. 7:407 BW), de aansprakelijkheid van vennoten van een VOF (art. 18 WvK), de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot die het beheersverbod overtreedt (art. 21 WvK) en de aansprakelijkheid van vennoten van een maatschap voor rijksbelastingen (art. 33 Invorderingswet).8
Artikel 6:102 BW valt op. Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Deze wetsbepaling schept geen aansprakelijkheid, maar verbindt het rechtsgevolg van hoofdelijkheid aan een uit anderen hoofde bestaande aansprakelijkheid.9 De regel heeft, net als de matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 BW, betrekking op alle gevallen van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Niet alleen bij onrechtmatige daad, maar ook bij wanprestatie. Wat betreft onrechtmatige daad gaat het om eigen daderaansprakelijkheid van twee of meer personen, maar ook om gevallen van gezamenlijke risicoaansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit andermans daad (art. 6:170-172 BW).10 In uitzonderlijke omstandigheden kan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat een schuldeiser zich op wettelijke aansprakelijkheid beroept, of kan een beroep van de schuldenaar op matiging gerechtvaardigd zijn.11
Het in het oog springende kenmerk van hoofdelijkheid is dat ieder van de schuldenaren tot voldoening van de gehele prestatie verplicht is, met dien verstande dat door de betaling door een van hen de verbintenis te niet gaat.12 Iedere hoofdelijke schuldenaar is voor het geheel van de schuld verbonden (art. 6:7 lid 1 BW), maar er zijn uitzonderingen op deze regel. Wij zagen al dat het bij de aansprakelijkheid van de middellijk vertegenwoordigde principaal (art. 7:421 BW) om hoofdelijke aansprakelijkheid gaat,13 en dat de omvang van deze aansprakelijkheid niet (althans niet per se) gelijk is aan de verbondenheid van de andere hoofdelijk aansprakelijke persoon (i.c. de tussenpersoon). Het geval van hoofdelijke schuldenaren die niet tot eenzelfde bedrag aansprakelijk zijn, kan zich in meer gevallen voordoen. Bijvoorbeeld kan de aansprakelijkheid van de ene schuldenaar door de rechter zijn gematigd en die van de andere niet. Het kan ook zijn dat de ene hoofdelijk schuldenaar met de schuldeiser een dading heeft getroffen waarbij zijn schuld is verminderd, en de andere niet.14 Aansprakelijkheid voor het geheel is dan ook geen wezenskenmerk van hoofdelijkheid.15
Uit het voorbeeld van de borg blijkt dat ook afhankelijkheid en subsidiariteit niet aan hoofdelijkheid in de weg staan.16 Waar de wet spreekt van hoofdelijkheid, wordt gedoeld op een niet-afhankelijke en niet-subsidiaire vordering, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van afdeling 6.1.2 BW geldt als uitgangspunt dat de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig zijn, behalve voor zover uit de wet het tegendeel voortvloeit.17