Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.7
10.4.7 Het doel van toerekening is wenselijke bescherming voor de wederpartij
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348501:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 m.nt. J.B.M. Vranken en JOR 2006/90 (Voorsluijs).Het gaat hier dus om een andere ‘vereenzelviging’ dan bedoeld om misbruik van identiteitsverschil aan te pakken. Zie daarover: HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2000/238 (Rainbow/Ontvanger); HR 3 november 1995, NJ 1996, 215 m.nt. J.M.M. Maeijer (Roco/Staat) (r.o. 4.4.2); HR 9 juni 1995, NJ 1996, 213 (Citco); HR26 januari 1994, NJ 1994, 545 m.nt. J.M.M. Maeijer (Heuga); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/835.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/86; Hoekzema 2015, GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.7.1.1.4; Hof Amsterdam 17 maart 1976, NJ 1977, 525.
De toerekeningsleer vindt, zoals gezegd, vaak toepassing bij toerekening aan overheidslichamen.
Zie bijvoorbeeld: HR 3 november 1982, NJ 1983, 510 m.nt. J.M.M. Maeijer en Th.W. van Veen.
Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Spier bij HR 11 maart 2011, NJ 2012, 388m.nt. L.C.A. Verstappen (Van Zundert/De Kort) r.o. 3.33 en de conclusie van A-G Timmerman bij HR 26 september 2008, JOR 2008/331 m.nt. P.J. van der Korst, par. 3.12: “Naar mijn inzicht is het handelsverkeer gediend met een zekere risicoverdeling ten aanzien van onbevoegde vertegenwoordiging. Deze verdeling kan hierop neerkomen dat de (intern onbevoegde) vertegenwoordiging van een rechtspersoon door een werknemer voor rekening van de rechtspersoon moet komen, ook indien deze werknemer een niet- standaard-transactie aangaat, terwijl hij niet in het handelsregister is ingeschreven en terwijl geen sprake is van een toedoen door de achterliggende rechtspersoon. Of dat het geval is zal m.i. afhangen van de omstandigheden van het geval. Van betekenis kunnen onder andere zijn de aard van de functie, de aard van de transactie, het bedrag dat met de transactie is gewekt, de eventuele rol van een wel vertegenwoordigingsbevoegde functionaris en eventuele gebeurtenissen die zich nà de bewuste rechtshandeling hebben voorgedaan. Een dergelijke benadering lijkt mij alleszins te verantwoorden, nu van algemene bekendheid is dat talloze gevolmachtigden van een rechtspersoon niet in het handelsregister zijn ingeschreven. Het rechtsverkeer is er niet mee gediend dat de wederpartij steeds wordt belast met een onderzoeksplicht. Risicotoedeling kan in die gevallen op zijn plaats zijn. Ik verwijs naar het hierboven aangehaalde betoog van Bakels. Voor zover naar het oordeel van Uw Raad een aanvulling op het toedoenbeginsel een brug te ver zou zijn, zou ik een ruime uitleg van het toedoenbeginsel willen bepleiten.”
Hof Amsterdam 17 maart 1976, NJ 1977, 525.
Overigens werd in dit arrest wel geoordeeld dat het handelen van de secretaresse, die zelf geen gedaagde was, zelf onrechtmatig was omdat de werkgever niet had gesteld dat de secretaresse – kort gezegd – zelf niet op de hoogte was en/of kon zijn van de onjuistheid van de gegevens.
HR 8 augustus 2014, JOR 2014/320 m.nt. A.J. Tekstra (X/Staat). Dat betekent evenwel niet dat grove schuld, opzet of kwade trouw van het accountantskantoor aan de rechtspersoon zou kunnen worden toegerekend in het kader van de verschuldigdheid van een daarop gebaseerde fiscale (of strafrechtelijke) boete. Zie: HR 1 december 2006,BNB 2007/151 m.nt. G.J.M.E. de Bont.
De derde wordt daarnaast beschermd op grond van art. 3:61 lid 2 BW indien sprake is van een ontoereikende volmacht en door art. 3:70 BW indien wegens het ontbreken van een volmacht niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
HR 25 juni 1999, NJ 2000, 33 m.nt. P.A. Stein (Vriescel) en HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
Vgl. K.J.O. Jansen, Informatieplichten. Over kennis en verantwoordelijkheid in contractenrecht en buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (Recht en Praktijk nr. CA5), Deventer: Kluwer 2012, par. 5.2.7 en de daarin genoemde bronnen.
HR 25 juni 1999, NJ 2000, 33 m.nt. P.A. Stein (Vriescel).
Zou men dit afzetten tegen de criteria die zijn ontwikkeld voor het toerekenen van gedragingen in het strafrecht in HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328 m.nt. P.A.M. Mevis (Zijpe Beheer) en HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413 m.nt. A.C. ’t Hart dan zou het maar zeer de vraag zijn of een strafrechter – zou de Vriescel-zaak strafrechtelijk zijn behandeld – tot de conclusie zou zijn gekomen dat de vennootschap strafrechtelijk aansprakelijk is voor het strafrechtelijk laakbaar handelen van diens directeur door iemand op te sluiten in een vriescel.
Het leerstuk van de toerekening van de (onrechtmatige) handeling aan de rechtspersoon is mede ontwikkeld teneinde de (economische) werkelijkheid van de rechtspersoon en het rechtsverkeer te dienen. Het biedt bescherming aan diegenen die met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen van doen hebben via de natuurlijk personen die bij deze rechtspersonen betrokken zijn. Deze bescherming was mede noodzakelijk door (i) de enorme uitbreiding van het economisch verkeer, waarbij ook in toenemende mate niet alleen ondernemingen, maar ook andere organisaties door rechtspersonen werden gedreven en (ii) het veel sterker ingrijpen van publiekrechtelijke lichamen in het maatschappelijk leven.1
De Hoge Raad heeft dan ook overwogen dat de toerekeningsleer, zoals geformuleerd in het hiervoor aangehaalde arrest Kleuterschool Babbel,2 een oplossing biedt voor het probleem dat een juridische constructie, zijnde een juridisch abstract rechtssubject zoals de rechtspersoon met eigen rechten en verplichtingen, slechts door natuurlijk personen aan het maatschappelijk verkeer kan deelnemen. Toerekening aan de rechtspersoon wordt volgens de Hoge Raad dan mede gerechtvaardigd doordat de in feite handelende persoon en de rechtspersoon aan wie dat handelen wordt toegerekend, vanuit het perspectief van de benadeelde tot op zekere hoogte met elkaar zijn te ‘vereenzelvigen’.3 Ook in de literatuur en in oudere jurisprudentie wordt in dit verband de term ‘vereenzelviging’ gebruikt.4 De benadeelde mag afgaan op wat hij waarneemt en hoeft zich niet te verdiepen in interne verhoudingen.5 De toerekeningsleer is dus met name functioneel in de verhouding tussen natuurlijk persoon en rechtspersoon. Zonder toerekening zou de rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer niet functioneren en zijn doel niet kunnen nastreven (en daarom geen functie hebben).
Het leerstuk van toerekening van (rechts)handelingen is dan ook allerminst exclusief voorbehouden aan handelingen die door een bestuurder namens de rechtspersoon worden verricht. Integendeel, toerekening van handelingen van de een aan de ander gebeurt in het maatschappelijk verkeer aan de lopende band, waarbij veelal geen bestuurder komt kijken. Of het nu gaat om een aankoop in de supermarkt die wordt afgerekend bij de kassa, het vragen om informatie in een warenhuis, het boeken van een vakantie bij de reisagent, het kopen van een auto bij de autodealer, het aangaan van de arbeidsovereenkomst bij de HR-adviseur, het communiceren met ambtenaren/functionarissen van overheidslichamen,6 zelfs frauduleus handelen van een werknemer.7 De feitelijke (vertegenwoordigings)handelingen en de wetenschap van de daarbij betrokken natuurlijk personen ten opzichte van de derde, kunnen allemaal worden toegerekend aan de rechtspersoon/achterban. Hoewel de hiervoor bedoelde werknemers/ambtenaren geen formele vertegenwoordigingsbevoegdheid zullen hebben om namens de publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon (rechts)handelingen te verrichten, zullen hun (vertegenwoordigings) handelingen in het rechtsverkeer worden toegerekend aan deze rechtspersoon mede omdat zij – waar het betreft door hen verrichte rechtshandelingen – in het rechtsverkeer geacht worden (uitdrukkelijk of stilzwijgend) vertegenwoordigingsbevoegd te zijn. En als ze dat niet zijn, terwijl de wederpartij daar (vanzelfsprekend) wel van uitging, dan zal de rechtspersoon in de voormelde gevallen op de onjuistheid van deze veronderstelling vaak geen beroep kunnen doen op grond van art. 3:61 lid 2 BW (schijn van volmachtverlening).8
Men zou kunnen zeggen dat de toerekeningsleer een – met rechtspersoonlijkheid noodzakelijk samenhangende – uitzondering vormt op eerder genoemd uitgangspunt dat een rechtssubject alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden behoudens wettelijke uitzonderingen (zie par. 10.4.5), in zoverre dat de rechtspersoon als abstract rechtssubject de facto niet kan handelen en dat hij daarom noodzakelijkerwijs aansprakelijk wordt gehouden voor het handelen van natuurlijk personen. De wettelijke basis voor deze uitzondering kan in feite gevonden worden in art. 2:5 BW.
Toerekening kan echter ook plaatsvinden tussen twee natuurlijk personen. Zo oordeelde het hof Amsterdam in 1976 dat de verstrekking van onjuiste inlichtingen door de secretaresse van een particuliere werkgever aan een bedrijfsvereniging als een onrechtmatige daad aan de particuliere werkgever kon worden toegerekend.9 Het hof overwoog daartoe dat de werkgever met zijn secretaresse was te vereenzelvigen en dat de onjuiste inlichtingen een zodanig onzorgvuldig handelen tegenover de bedrijfsvereniging opleverden, dat deze als onrechtmatige daad waren toe te rekenen aan de werkgever. Een secretaresse die op instructie van de werkgever informatie doorstuurt zal zelf geen verwijt10 treffen en dus niet onrechtmatig handelen. Ook kunnen handelingen van (rechts)personen die zich in beginsel buiten elkaars sfeer begeven aan elkaar worden toegerekend. Zo overwoog de Hoge Raad in 2014 dat handelingen van een door de rechtspersoon ingeschakeld accountantskantoor aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.11
De hierboven genoemde bescherming van natuurlijk personen die handelen met vertegenwoordigers/betrokkenen van andere (rechts)personen, wordt gegeven doordat, als gevolg van toerekening, een rechtsgevolg ontstaat in de verhouding tussen de (benadeelde) (contracts)partij en de partij aan wie gedragingen of kennis worden toegerekend. Kortmann schreef dan ook dat de vraag van toerekening van (feitelijke) handelingen rechtens slechts relevant is, indien aan de handeling rechtsgevolg is verbonden.12Ik denk dat deze stelling juist is, met dien verstande dat het niet zo is dat aan de handeling zelf per definitie rechtsgevolg is verbonden, maar dat het beoogde rechtsgevolg, dat geldt ten aanzien van de (rechts)persoon aan wie wordt toegerekend, een gevolg is van de toerekening van de handeling van de feitelijk handelende persoon aan de rechtspersoon.
Indien de toerekeningsleer echter slechts relevant is indien aan de handeling van de feitelijk handelende een rechtsgevolg is verbonden dat geldt jegens de (rechts)persoon aan wie wordt toegerekend, dient zich meteen de vraag aan waarom men dat rechtsgevolg in een voorkomend geval jegens de (rechts) persoon aan wie wordt toegerekend wil doen gelden. Het antwoord ten aanzien van toerekening op grond van de wettelijke bepalingen van vertegenwoordiging spreekt voor zich: de vertegenwoordiger (bestuurder) en de wederpartij beogen dat rechtsgevolg te doen laten intreden ten opzichte van de vertegenwoordigde (rechtspersoon) zodat deze vertegenwoordigde (rechtspersoon) daardoor deelneemt aan het voor hen relevante maatschappelijk (economisch) (rechts)verkeer.13
Het antwoord ten aanzien van de niet-wettelijke (maar op jurisprudentie gebaseerde) toerekening van feitelijke handelingen en wetenschap van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon, is dat het veelal maatschappelijk wenselijk wordt geacht om ten aanzien van de rechtspersoon vast te stellen dat deze een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Waarom dat in een voorkomend geval maatschappelijk wenselijk kan zijn, volgt uit het Kleuterschool Babbel-arrest. Namelijk, omdat de betrokken gedraging van de (natuurlijk) persoon, in de woorden van de Hoge Raad, “in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden” als een gedraging van een ander (rechts)persoon. Maar dit criterium is wat ongelukkig geformuleerd en impliceert een normatieve toets die wordt ingevuld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Brunner en Stein hebben in dit verband erop gewezen dat het door de Hoge Raad geformuleerde criterium lijdt aan een zekere vaagheid.14 Ik zou dan ook menen dat niet moet worden gesproken van een gedraging die “in het maatschappelijk verkeer als gedraging van een ander heeft te gelden”, maar ‘van een maatschappelijke wenselijkheid’ dat een bepaalde handeling of wetenschap van een natuurlijk persoon tot een bepaald rechtsgevolg moet leiden bij, of in relatie tot, een ander(e) (rechts)persoon, zonder dat dit iets verandert aan een rechtsgevolg dat eventueel heeft te gelden in relatie tot de feitelijk handelende natuurlijk persoon. De voornoemde maatschappelijke wenselijkheid zal veelal een basis vinden in het zogenoemde vertrouwensbeginsel. Het gaat om de vraag of de derde onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat de persoon met wie hij handelt – een interne functionaris, een externe deskundige of een andere betrokkene bij de rechtspersoon – zijn kennis met de rechtspersoon zou delen.15 Het gaat om de vraag of de derde onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat iemands gedraging plaatsvond namens en/of in opdracht van de rechtspersoon. Maar het kan zelfs nog verder gaan.
Illustratief in dat verband is het zogenoemde Vriescel-arrest van de Hoge Raad.16 In die zaak had een directeur van rechtspersoon A, een directeur van rechtspersoon B in een vriescel opgesloten om een huurverlaging af te dwingen in de huurrelatie tussen de twee rechtspersonen. De Hoge Raad oordeelde dat dit gedrag aan rechtspersoon A kon worden toegerekend en een toerekenbare tekortkoming onder de huurovereenkomst opleverde, als gevolg waarvan rechtspersoon B de huurovereenkomst mocht ontbinden. Dat het opsluiten van een persoon in een vriescel niet bepaald kan worden gezien als een gedraging die in het maatschappelijk verkeer als een gedraging van een rechtspersoon heeft te gelden, behoeft mijns inziens geen toelichting. De uitkomst in het Vriescel-arrest was dan ook vooral een maatschappelijk wenselijke uitkomst: rechtspersoon B kon onder deze omstandigheden toch niet gehouden worden aan de huurovereenkomst met rechtspersoon A? De maatschappelijke wenselijke uitkomst dat rechtspersoon B de huurovereenkomst moest kunnen ontbinden, kon alleen maar bereikt worden door toepassing van de toerekeningsleer (dus door vereenzelviging van de bestuurder met de rechtspersoon).17 Dat de bestuurder van rechtspersoon A onrechtmatig had gehandeld ex art. 6:162 BW stond buiten kijf, net zoals het feit dat rechtspersoon A daarvoor hoofdelijk aansprakelijk was op grond van de kwalitatieve aansprakelijkheidsbepalingen van art. 6:170 en/of art. 6:172 BW. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid, leverde echter geen grond op voor ontbinding van de huurovereenkomst. Door de onrechtmatige daad van de bestuurder van rechtspersoon A aan rechtspersoon A toe te rekenen middels de toerekeningsleer, werd die ontbindingsgrond alsnog gerealiseerd.
Het feit dat deze toerekening had geleid tot het rechtsgevolg dat ontbonden mocht worden, veranderde vanzelfsprekend niets aan het feit dat de bestuurder van rechtspersoon A zelf een onrechtmatige daad kon worden verweten.