Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.8.2
2.8.2 Gevallen waarin de Ondernemingskamer overgaat tot vaststelling van de kosten van het onderzoek
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 27 juli 2012 (r.o. 2.2), ARO 2012/122 (Leidsestraat Apotheek), verbeterd bij OK 2 augustus 2012, ARO 2012/123 (Leidsestraat Apotheek). Van partijen werd niet vernomen; de Ondernemingskamer stelde de vergoeding van de onderzoeker vast in OK 13 augustus 2012, ARO 2012/124 (Leidsestraat Apotheek).
Zie bijv. OK 2 april 2013, ARO 2013/69 (Mojo Theater).
Zie bijv. OK 25 februari 2021, ARO 2021/56 (Verweij Mungra Vastgoed).
Zie bijv. OK 8 oktober 2012, ARO 2012/146 (Induna); OK 15 januari 2013, ARO 2013/28 (MBV).
Zie bijv. OK 20 oktober 2020, ARO 2020/198 (Hoeve Holland).
Zie bijv. OK 25 februari 2014, ARO 2014/75 (Biotempt).
Hermans 2017, p. 186.
Anders nog Jager 2019, p. 425-426, die vaststelling van de kosten van het onderzoek niet noodzakelijk acht.
OK 25 oktober 2021, ARO 2021/188 (SNS).
Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt: ‘De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen.’ Na vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker wordt duidelijk welk deel van het onderzoeksbudget is uitgegeven. In bepaling 4.5 van de Leidraad is ook bepaald dat de Ondernemingskamer na deponering van het onderzoeksverslag ambtshalve de kosten van het onderzoek vaststelt.1 De Ondernemingskamer ging in het verleden niet altijd over tot de vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker. In Leidsestraat Apotheek ging de Ondernemingskamer hier voor het eerst toe over en bepaalde:
‘De Ondernemingskamer zal – anders dan tot nog toe gebruikelijk – overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:350 lid 3 BW uitdrukkelijk de vergoeding van de onderzoeker bepalen. Alvorens dat te doen, zal de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid stellen zich over de declaratie van de onderzoeker uit te laten.’2
De Ondernemingskamer stelt de vergoeding van de onderzoeker ook vast als de onderzoeker reeds volledig is betaald.3
Vervangt de Ondernemingskamer een onderzoeker, dan stelt zij soms reeds de vergoeding van de eerste onderzoeker en een nieuw onderzoeksbudget voor de tweede onderzoeker vast.4 In andere gevallen staan de twee onderzoekers samen één onderzoeksbudget ter beschikking en is een vaststelling van de vergoeding van de eerste onderzoeker nog niet aan de orde bij diens vervanging. Zie ook par. 2.5.4.
Beëindigt de Ondernemingskamer het onderzoek, dan gaat zij in beginsel niet over tot een vaststelling van de kosten van het onderzoek. In bepaling 4.6 van de Leidraad is opgenomen dat de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker de kosten van het onderzoek wel kan vaststellen indien het onderzoek wordt beëindigd voordat het onderzoeksverslag is voltooid of gedeponeerd. Voorheen vroeg de Ondernemingskamer bij de beëindiging van het onderzoek de onderzoeker wel of zijn kosten waren voldaan.5 De Ondernemingskamer pleegt dat echter niet meer te doen, althans daarvan blijkt niet uit beëindigingsbeschikkingen, hoewel onderzoekers de Ondernemingskamer nog wel eens mededelen dat hun kosten zijn voldaan.6 Door de kosten van het onderzoek in dergelijke gevallen niet vast te stellen, wordt niet standaard repressief toezicht uitgeoefend op de door de onderzoeker gemaakte kosten. Voor procespartijen bestaat in dat geval ook geen mogelijkheid op te komen tegen de redelijkheid van de door de onderzoeker opgevoerde kosten van het onderzoek, tenzij zij in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over een verzoek van de onderzoeker tot vaststelling van de kosten van het onderzoek. De Ondernemingskamer toetst de vergoeding van de onderzoeker dan wel.7
Art. 2:350 lid 3 BW verplicht de Ondernemingskamer niet de vergoeding van de onderzoeker vast te stellen. Dit artikellid bepaalt slechts dat de Ondernemingskamer de vergoeding van de door haar benoemde personen bepaalt. Met Hermans meen ik niettemin dat de Ondernemingskamer de kosten van het onderzoek steeds zou moeten vaststellen, gezien de vaak aanzienlijke omvang van de kosten van het onderzoek, het gebrek aan transparantie en de afhankelijke positie waarin de rechtspersoon of een directe financier zich ten opzichte van de onderzoekers bevindt.8 Dat geldt ook als de Ondernemingskamer het onderzoek beëindigt en de onderzoeker is betaald. Ook in die gevallen moet de Ondernemingskamer mijns inziens de redelijkheid van de declaratie van de onderzoeker standaard toetsen.9 De kosten van het onderzoek kunnen een flinke kostenpost vormen. Recordhouder is het onderzoek naar SNS, waarin de kosten van het onderzoek werden vastgesteld op € 3.647.822,09.10