Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.9
7.3.9 Emigratie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454170:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Omgekeerd geldt als hoofdregel dat bij binnenkomst in Nederland - immigratie - de waarde in het economische verkeer van de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen als de verkrijgingsprijs geldt (art. 20c, zevende lid. Wet IB). Dit is alleen anders als sprake is van een in Nederland gevestigde vennootschap (waaronder blijkens art. 20c, negentiende lid, Wet IB tevens een naar Nederlands recht opgericht lichaam wordt verstaan). Voorts is de immigratieregeling nog gecompleteerd met een afzonderlijke regeling voor passanten (art. 20a, achtste lid, Wet IB).
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 49-50.
Ten slotte is in de regeling van de buitenlandse belastingplicht ook de verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap vanuit Nederland naar het buitenland als een fictieve vervreemding aangemerkt (art. 49, vierde lid, tweede volzin, Wet IB).
Een belangrijke vraag is of de emigratieheffing mogelijk in strijd is met het Europese recht. De staatssecretaris van Financiën is steeds van mening geweest dat dit niet het geval is. Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 19-20, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 27-29, brief staatssecretaris van Financiën d.d. 15 oktober 1996, nr. WDB96/446M, blz. 4034 en ten slotte Handelingen Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, blz. 11-456. In de literatuur zijn bij deze opvatting mijns inziens terecht vraagtekens geplaatst. Zie onder meer G.J.M.E. de Bont, Behoud van fiscale claims en het EG-Verdrag, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht 1996, blz. 200 e.v.; M.J.W.M. Ellis, Enkele internationale aspecten van het wetsvoorstel inzake aanmerkelijk belang, MBB september 1996, blz. 294 e.v.; M.G. de Jong, Wetsvoorstel 24 761: De emigratieheffing en de gevolgen van de mogelijke strijd met het Europese recht en het internationale recht, WFR 1996/6216, blz. 1464 e.v.; J.W.J. de Kort, De emigratieheffing in de voorgestelde aanmerkelijk-belangregeling en de niet-strijdig-heid met het Europese verdrag, WFR 1996/6219. blz. 1594 e.v.; G.H. de Soeten, De internationale dimensie van het wetsvoorstel ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, WFR 1996/6207, blz. 1059 e.v.
In de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling was de sfeerovergang naar het buitenland niet afdoende afgedicht. Onder omstandigheden kon de aandeelhouder de aanmerkelijkbelangclaim afschudden door te emigreren naar het buitenland en de aandelen of winstbewijzen gedurende een aantal, veelal vijf, jaren aan te houden. Nederland kon in dergelijke situaties haar aanmerkelijkbelangclaim na een periode van vijf jaren veelal niet effectueren; werd daarbij tevens de werkelijke leiding van de vennootschap naar hetzelfde buitenland verplaatst, dan verloor Nederland veelal reeds onmiddellijk haar aanmerkelijkbelangclaim. Primair lag de oorzaak van dit verlies van de aanmerkelijkbelangclaim in het feit dat de emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder resp. verplaatsing van de feitelijke leiding van de vennootschap niet als een belastbaar feit voor de aanmerkelijkbelangregeling was aangemerkt. Teneinde onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime de belastingheffing uit hoofde van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' beter tot zijn recht te laten komen, bepaalt art. 20a, zesde lid, onderdeel i, Wet IB uitdrukkelijk dat het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn onder het begrip vervreemding wordt begrepen. Emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder leidt aldus tot het in aanmerking nemen van de op dat moment aanwezige (latente) aanmerkelijkbelangwinst.1 Een op dat moment bestaand eventueel aanmerkelijkbelangverlies kan eveneens worden vergolden; art. 20c, zesde lid, Wet IB staat hieraan niet in de weg (zie hoofdstuk 10, onderdeel 10.3 hierna). Deze afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim bij emigratie is aldus vergelijkbaar met de afrekening in de winstsfeer op de voet van art. 16 Wet IB.2 Voorts bepaalt art. 20a, zesde lid, onderdeel i, Wet IB dat ook sprake is van een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen en -schuldvorderingen in geval de belastingplichtige met een dubbele woonplaats die volgens de Nederlandse wetgeving nog binnenlands belastingplichtige is, maar die ook in een ander land als inwoner van dat land wordt aangemerkt en ingevolge de BRK dan wel een belastingverdrag voor de toepassing van die regeling resp. dat verdrag geacht wordt geen inwoner van Nederland meer te zijn maar van dat andere land.3 Ingevolge deze nieuwe emigratieregeling dient aldus de tijdens de binnenlandse periode ontstane (potentieel aanwezige) aanmerkelijkbelangwinst bij emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder te worden afgerekend.4
Aangezien emigratie van de aanmerkelijkbelangaandelen veelal niet gepaard gaat met een daadwerkelijke vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen en de ontvangst van financiële middelen, is in de sfeer van de Invorde-ringswet een uitstelvanbetalingsregeling getroffen. Ingevolge art. 25, zesde lid, Inv.wet wordt onder in art. 2 Uitv.reg. Inv.wet nader uitgewerkte voorwaarden, onder meer het stellen van voldoende zekerheid, uitstel van betaling verleend voor een periode van maximaal tien jaren, de zgn. conserverende aanslag. Worden de aandelen in de vennootschap gedurende deze tienjaarsperiode niet vervreemd, dan wordt de conserverende aanslag geheel kwijtgescholden (art. 26, tweede lid, onderdeel c, Inv.wet); bij vervreemding binnen tien jaren na emigratie vindt invordering van de conserverende aanslag plaats. Keert de aanmerkelijkbelanghouder overigens binnen tien jaren nadat hij Nederland metterwoon heeft verlaten, weer terug naar Nederland (remigratie), dan kan onder bij ministeriële regeling te stellen regels de aanslag bij de vaststelling waarvan art. 20a, zesde lid, onderdeel i, Wet IB toepassing heeft gevonden, worden verminderd; tevens wordt dan weer teruggekeerd naar de oorspronkelijke verkrijgingsprijs, zoals die gold vóór de emigratie (art. 20c, achttiende lid, Wet IB j° art. 3e Uitv.reg. IB). Gelet op de doelstelling van deze studie (zie hoofdstuk 1, onderdeel 1.4) wordt met deze summiere opmerkingen volstaan.