Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.4.4
6.4.4 LBO’s: het domein van fraudulent transfer law?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409062:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Baird & Jackson 1985.
Baird & Jackson 1985, p. 839.
Liss 1987, p. 1512.
Wahl & Wahl 1990, p. 356.
Ginsberg e.a. 2011, p. 76. Zie ook Sheinfield & Goodman 1993, p. 808: “The application of fraudulent conveyance law in the LBO context may be very acceptable because it envisions a fundamental corporate concept: in distributing the assets of an insolvent corporation, debt should be paid before equity.”
Zie par. 3.4.2.
Zie par. 2.5.2.3.
Ginsberg e.a. 2011, p. 77-78.
United States v. Tabor Court Realty Corp., 803 F.2d 1288 (3d Cir. 1986).
“[I]f the UFCA is not to be applied to leveraged buyouts, it should be for the state legislatures, not the courts, to decide.” (United States v. Tabor Court Realty Corp., 803 F.2d 1288 (3d Cir. 1986), p. 1297).
Mellon Bank, N.A. v. Metro Communications, Inc. 945 F.2d 635 (3d Cir. 1991), p. 645-646.
Een aantal juridische auteurs heeft zich verzet tegen de toepassing van fraudulent transfer law op LBO’s. Zo hebben Baird en Jackson in 1985 verdedigd dat dergelijke moderne en complexe financieringsconstructies buiten het domein van de eeuwenoude fraudulent transfer-regels liggen.<1 Ten eerste voeren zij daartoe aan dat LBO’s vaak ook in het belang van de crediteuren van de vennootschap zijn:
“A fraudulent conveyance law that protects creditors from all bad deals a debtor enters into gives the creditors too much. Such creditor protection is unlikely to be a right that all interested parties would agree to if they were able to bargain explicitly. The effect of such protection is to reduce risky investments. But risk-taking may be in the best interests of all the parties concerned. Therefore, a preformulated rule should not protect creditors from bad investments.”2
Volgens Baird en Jackson moeten crediteuren zichzelf beschermen tegen het risico van mogelijke LBO’s. De crediteuren die daartoe niet in staat zijn, zouden kunnen meeliften op de door de professionele crediteuren bedongen bescherming. Liss heeft echter (terecht) betoogd dat de redenering van Baird en Jackson tekortschiet. Professionele crediteuren beschermen zichzelf meestal door de vestiging van zekerheden op de activa van de vennootschap en daaraan ontlenen de overige schuldeisers vanzelfsprekend geen bescherming.3 Daarnaast is het volgens Wahl en Wahl zeer de vraag of een LBO kan worden aangemerkt als voordelig voor de ongesecureerde crediteuren.4 Zij geven aan dat de beurswaarde van de aandelen van een vennootschap vaak stijgt zodra een LBO wordt aangekondigd. Dit wordt volgens deze auteurs echter niet veroorzaakt doordat de markt verwacht dat de vennootschap na de LBO beter zal presteren, maar omdat de markt begrijpt dat de LBO waarde zal overhevelen van de ongesecureerde crediteuren naar de aandeelhouders. Door de effectuering van de LBO zou een impliciet contract tussen de aandeelhouders en crediteuren worden verbroken.
In recentere literatuur is aangevoerd dat toepassing van fraudulent transfer law op LBO’s wenselijk is vanwege het feit dat geen van de bij de transactie betrokken partijen een belang heeft dat parallel loopt met dat van de vennootschap en haar ongesecureerde crediteuren.5 De verkopende aandeelhouders verliezen evident hun belang bij de vermogenstoestand van de onderneming en zijn gebaat bij een zo hoog mogelijke prijs voor hun aandelen. Ook het belang van de banken die de transactie financieren is strijdig met dat van de overige crediteuren. Niet alleen is hun risico aanzienlijk beperkt door de verkregen zekerheden op de activa van het doelwit, zij ontvangen tevens een vergoeding voor het door hen gelopen risico in de vorm van een hoog rentepercentage.6 Daarnaast is het niet ongebruikelijk dat banken het door hen verstrekte krediet ‘verpakken’ en ‘doorverkopen’. Ook dat beperkt het belang van de bank bij de vermogenstoestand van de vennootschap.7 Ten slotte kan ook op de investeerder die de aandelen in het doelwit overneemt niet blind worden vertrouwd; deze investeert in de regel een relatief klein bedrag en probeert dat vaak weer vroegtijdig aan de vennootschap te onttrekken, bijvoorbeeld door hoge rentebetalingen op door de investeerder verstrekte leningen en door dividend recapitalizations.
Ginsberg e.a. overwegen: “[U]nsecured creditors are alone in being exposed to the risk of leverage-induced insolvency involuntarily and without prospect of reward. […] Because all parties to LBOs enjoy greater returns on risk than unsecured creditors, they expose unsecured creditors to more risk than unsecured creditors would choose for themselves. The risk to unsecured creditors is a cost of leveraged buyouts that is, in economics parlance, “externalized” onto unsecured creditors.”8
Inmiddels bestaat er geen discussie meer over dat de fraudulent transfer regels van toepassing zijn op LBO’s. De eerste keer dat dat een hogere rechter tot dit oordeel kwam, was in de uitspraak van het Court of Appeals (3d Cir. 1986)inzake United States v. Tabor Realty corp.9 Daarin oordeelde het Court of Appeals dat fraudulent transfer law van toepassing is op LBO’s nu de ruime bewoordingen van de regeling zich daartegen niet verzetten. Als LBO’s gevrijwaard moesten blijven van de toepassing van de fraudulent transfer-regels, dan zou het niet aan de rechter, maar aan de wetgever zijn om dat te bepalen.10 In twee voetnoten bij de uitspraak maakte het Court of Appeals vervolgens korte metten met het betoog van Baird en Jackson. Het Court overwoog dat van een aanzienlijk aantal crediteuren niet verwacht mag worden dat zij zichzelf tegen de aan een LBO verbonden risico’s beschermen. Daarnaast gaf het Court of Appeals aan dat de crediteuren met een vordering op de vennootschap die dateert van voor de LBO, niet hoefden te anticiperen op de grote risico’s die een LBO zou meebrengen. De toepasselijkheid van fraudulent transfer law op LBO’s is sinds deze uitspraak herhaaldelijk bevestigd.
In 1991 formuleerde het Court of Appeals (3d Cir.) het als volgt: “[A] thorough understanding of the typical leveraged buyout transaction reveals that there is a potential for abuse of the debtor’s creditors, particularly those who are unsecured, when a company is purchased through a leveraged buyout. […] Commonly, the acquirer invests little or no equity. […] The effect of an LBO is that a corporation’s shareholders are replaced by secured creditors. Put simply, stockholders’ equity is supplanted by corporate debt. The level of risk facing the newly structured corporation rises significantly due to the increased debt to equity ratio. This added risk is borne primarily by the unsecured creditors, those who will most likely not be paid in the event of bankruptcy. […] An LBO may be attractive to the buyer, seller, and lender because the structure of the transaction could allow all parties to the buyout to shift most of the risk of loss to other creditors of the corporation if the provisions of section 548(a)(2) were not applied. […] The target corporation, however, receives no direct benefit to offset the greater risk of now operating as a highly leveraged corporation. As legal scholars have noted, the target firm may not at all reflect the Elizabethan deadbeat [covered by the original sixteenth century fraudulent transfer law], but may in fact wind up as the sacrificial lamb.”11