De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/9.6.2:9.6.2 Concernaansprakelijkheid in geval van turboliquidatie
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/9.6.2
9.6.2 Concernaansprakelijkheid in geval van turboliquidatie
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS383870:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 6 december 2006, JOR 2007/109.
Rb. Midden-Nederland 24 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4312.
Rb. Arnhem 24 mei 2011, JOR 2011/274.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook wanneer een turbogeliquideerde BV herleeft, kan sprake zijn van concernaansprakelijkheid, hetgeen een logisch gevolg is van het feit dat concernaansprakelijkheden zijn gebaseerd op onder andere de aansprakelijkheidsgronden die ik reeds besprak, te weten: artikel 2:9 BW, artikel 6:162 BW, maar ook bijvoorbeeld artikel 2:248 BW.
Zo heeft de rechtbank Arnhem in een zaak waarin een dochtervennootschap werd turbogeliquideerd beslist dat zowel de grootmoedervennootschap als de moedervennootschap jegens een schuldeiser aansprakelijk waren. De aansprakelijkheid werd aangenomen op grond van een selectieve betaling gedurende de fase voorafgaande aan de turboliquidatie door de dochter, waardoor het uitgangspunt dat alle schuldeisers gelijkelijk behandeld moeten worden tenzij er een wettelijke reden voor voorrang bestaat, werd genegeerd en de schuldeiser werd benadeeld. Op grond van artikel 2:11 BW werd de moedervennootschap als bestuurder van de dochtervennootschap en de grootmoedervennootschap als bestuurder van de moedervennootschap aansprakelijk gesteld.1
Deze vorm van concernaansprakelijkheid noem ik de ‘zuivere’ concernaansprakelijkheid. Een ander voorbeeld van een dergelijke ‘zuivere’ concernaansprakelijkheid betreft een zaak die zich voordeed bij de rechtbank Midden-Nederland. In deze zaak ging het om twee zustervennootschappen, waarvan de eerste een overeenkomst had gesloten met een derde, waarvoor de tweede zich borg had gesteld. Nadat de eerste zustervennootschap in faillissement geraakte, besloot de moedervennootschap van de tweede zustervennootschap deze te ontbinden door middel van een turboliquidatie, als gevolg waarvan de derde zijn verhaalsobject verloren zag gaan. De rechtbank oordeelde dat de moedervennootschap als aandeelhouder in de zustervennootschap met het nemen van het ontbindingsbesluit misbruik van haar recht had gemaakt, terwijl de bestuurder van de moedervennootschap daarvan een persoonlijk verwijt kon worden gemaakt.2
Uit een andere zaak volgt dat het bestuur van een turbogeliquideerde moedervennootschap intern aansprakelijk kan zijn jegens de vennootschap zelf voor het verstrekken van niet door zekerheden gedekte leningen aan dochtervennootschappen, terwijl op dat moment duidelijk zou (moeten) zijn dat deze dochtervennootschappen die leningen nooit zouden (kunnen) terugbetalen, omdat de activiteiten van de dochtervennootschappen reeds stil lagen.3 Hier was dus geen sprake van ‘zuivere’ concernaansprakelijkheid, maar van aansprakelijkheid van het bestuur van de moedervennootschap door het verrichten van handelingen in concernverband (dit noem ik de ‘onzuivere’ concernaansprakelijkheid).