Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/2.1:2.1 Inleiding
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655734:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het vervolg van dit onderzoek is enig inzicht vereist in de wijze waarop kapitaalmarkten – en effectenmarkten in het bijzonder – werken. Zonder kennis over de werking van effectenmarkten is het namelijk niet goed mogelijk een oordeel te vormen over het gedrag van de actoren op die markten. In het bijzonder is van belang inzicht te krijgen in de rol van informatie op effectenmarkten. Begrijpen wij namelijk hoe informatie in de koers van beursgenoteerde effecten wordt verwerkt, dan kunnen wij ook meer zeggen over het effect van misleidende informatie op die koers en over het effect van het niet publiceren van voorwetenschap op die koers. In dit hoofdstuk bestudeer ik daarom de invloed van informatie op de koers van beursgenoteerde effecten en de wijze waarop die invloed tot stand komt. Voor de totstandkoming van dit hoofdstuk heb ik onder meer uitgebreid studie gedaan naar de financieel-economische literatuur. In vergelijking met de andere hoofdstukken heeft dit hoofdstuk dus een meer financieel-economisch karakter. De financieel-economische inzichten die hier worden ontwikkeld, leveren belangrijke bouwstenen op voor de juridische analyse in het vervolg van het onderzoek.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. In § 2.2 bespreek ik eerst de zogenoemde ‘efficiënte markthypothese’ (‘EMH’). Deze hypothese kan worden beschouwd als de ‘verbinding’ tussen informatie en koersvorming op de effectenmarkt en zij vormt de belangrijkste theoretische onderbouwing voor de veronderstelling dat effectenmarkten efficiënt en adequaat functioneren. In § 2.3 geef ik vervolgens een korte introductie op het vakgebied van de behavioral finance. Hierbij zal ik vooral ingaan op de vraag op welke wijze de aanhangers van de behavioral finance de EMH en de (basis)veronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen, verwerpen. Voortbouwend op de zojuist genoemde introductie bespreek ik in § 2.4 het fenomeen van de zeepbel, waarbij ik in het bijzonder aandacht besteed aan de zogenoemde ‘rational bubble’. In § 2.5 behandel ik daarna het onderscheid tussen zogenoemde ‘informationele efficiëntie’ en ‘fundamentele efficiëntie’. In § 2.6 leg ik tot slot uit waarom het begrip marktefficiëntie niet al te binair (geen kwestie van ja of nee) moet worden benaderd en waarom marktefficiëntie een relatief begrip is. In § 2.7 maak ik tot besluit nog enkele concluderende opmerkingen.