Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.2.2
3.2.2 Opvattingen van justitiabele leidend
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451590:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Men zegt ook wel dat de rechter een subjectieve interpretatie toepast van de wettelijke term godsdienst (en belijden).
In 3.3 spreek ik daarom ook van een objectiverende en niet van een objectieve kwalificatie.
Vermeulen, R&R 1992-21.
Overigens moeten we de subjectiverende kwalificatie niet verwarren met een subjectiverende benadering van de oprechtheid van het rechtssubject. Wanneer de rechter uitgaat van de geloofwaardigheid van de gevoelens en belevingswereld van het rechtssubject (met andere woorden: dat het rechtssubject daadwerkelijk in zijn eigen waarheid gelooft) maar vervolgens de geloofsovertuiging niet erkent omdat deze te subjectief is, dan is dat geen subjectiverende benadering van godsdienst maar een subjectiverende benadering van de oprechtheid van het rechtssubject. Een dergelijk standpunt komt erop neer dat de rechter de opvattingen van het rechtssubject als onwaar of als onjuist afdoet maar wel erkent dat het rechtssubject deze opvattingen kan hebben. Een rechtssubject kan bijvoorbeeld geloven in een godsdienst waarvan evident is dat het een (onoprecht) verzinsel is (bijvoorbeeld een grap).
Zie 7.2.
Overigens heeft ook de grondwetgever zich in beperkte mate ‘schuldig’ gemaakt aan objectivering (zie 3.3) van godsdienst. Zo volgt uit art. 6 Grondwet lid 2 een onderscheid tussen het ‘binnen’ en ‘buiten’ gebouwen en besloten plaatsen belijden van de godsdienst dat kenmerkend is voor de wijze waarop men traditioneel binnen het (protestantse) christendom in de kerk de eredienst houdt. In nog mindere mate geldt ook voor de opstellers van art. 9 EVRM lid 1 dat zij godsdienst hebben geobjectiveerd. Bij de opsomming van de door dit recht beschermde uitingen in het laatste deel van lid 1: eredienst, onderricht, praktische toepassing en onderhoud van geboden en voorschriften, lijkt men ten aanzien van het object van bescherming vooral de herkenbare cultus, rituelen en dergelijke voor ogen te hebben gehad. Zie 2.2.2 en ook 4.3.2. Zie ook: Vermeulen 2007, p. 20.
Het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid past bij een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst.1 Het behelst het principe dat de uitleg van het rechtssubject zelf zoveel mogelijk leidend moet zijn bij de kwalificatie van diens uitingen en gedragingen als godsdienstig (zelfdefinitie). Voor de rechter betekent dit dat hij een subjectiverende wijze van kwalificeren toepast. De reden dat ik spreek van subjectiverende en niet van subjectieve kwalificatie is omdat ik het buitenstaander-standpunt wil benadrukken. Het is de rechter die godsdienst vanuit het subject voorstelt of beschouwt.2 De justitiabele bepaalt in een concrete casus de betekenis van het begrip godsdienst.3 We kunnen stellen dat een subjectiverende wijze van kwalificeren een kwalificatie is die de betekenis van godsdienst subjectief maakt, dat wil zeggen, afhankelijk van het rechtssubject.4
Bij wetgeving kunnen we spreken van een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst wanneer de wetgever bij de totstandkoming van wetgeving rekening houdt met de mogelijke opvattingen van het rechtssubject. Dit kan aan de orde zijn bij zowel het kwalificeren als het definiëren van een rechtsobject als religieus. In sommige gevallen kwalificeert de wetgever een uiting of gedraging als godsdienstig. Dit deed zich bijvoorbeeld voor bij het voorstel tot de invoering van een verbod op gezichtsbedekkende kleding. In de wetsgeschiedenis van het voorstel wordt expliciet gesteld dat het motief voor het dragen van de boerka verschillend kan zijn en afhankelijk is van de opvattingen van het rechtssubject.5 In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat indien de wetgever bij het kwalificeren expliciet rekening houdt met de mogelijke opvattingen van rechtssubjecten er sprake is van een subjectiverende kwalificatie.
Meestal blijkt een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst door de wetgever uit de wijze waarop hij wettelijke termen met een religieus karakter definieert. Als hij daarbij rekening houdt met de mogelijke opvattingen van het individuele rechtssubject of van een collectief van rechtssubjecten is er sprake is van een subjectiverende definitie. De wetgever geeft een religieuze term dan doelbewust een open karakter waardoor in beginsel alle aanhangers van godsdiensten hierop aanspraak kunnen maken. Ook wanneer de rechter een definitie geeft van een religieus object van een recht is er sprake van een subjectiverende definitie indien hij zich daarbij heeft laten leiden door mogelijke opvattingen van rechtssubjecten.
Zoals eerder in hoofdstuk 1 en 2 uiteen is gezet, is de betekenis van het begrip godsdienst door de grondwetgever en de opstellers van het EVRM maar in beperkte mate gegeven. Niet uitputtend, en slechts in algemene bewoordingen, is aangegeven wat belijden inhoudt en ten aanzien van godsdienst en levensbeschouwing ontbreekt een inhoudelijke definitie. De grondwetgever en de opstellers van het EVRM lijken tot op zekere hoogte een subjectivering van het begrip godsdienst voor te schrijven, in de zin dat ze bewust ruimte laten voor verschillende godsdiensten en levensovertuigingen.6 Onduidelijk is echter in welke mate de grondwetgever en de opstellers van het EVRM een subjectivering van het begrip van godsdienst hebben beoogd en of deze subjectivering ook betrekking heeft op singuliere godsdiensten.