Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.3.3
6.3.3 De benadering van het vennootschappelijk belang
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS387520:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 394.
Een gelijksoortige bepaling is in artikel 2:250 lid 2 BW opgenomen ten aanzien van commissarissen.
Maeijer 1964, p. 153.
Mendel 1989, p. 12-15.
Asser & Maeijer 2-III 1994, nr. 293.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 394.
Slagter 2005, p. 12.
Langman 1988, p. 117.
Mendel 1989, p. 12-15.
Assink 2010, p. 40-41.
Eijsbouts & Kemp 2012, p. 129.
Asser & Maeijer 2-III 1994, nr. 293.
Van der Heijden & Van der Grinten 1992, nr. 231.
Van der Heijden/ Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 231.
Van Schilfgaarde e.a. 2013, p. 27-28.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 394.
Zie ook Kemp & Renssen 2014, p. 205.
Timmerman 2009, p. 7.
Wolf 2013, p. 170.
Verdam 2013, p. 100-101.
Over het fenomeen vennootschappelijk belang is een behoorlijke hoeveelheid literatuur verschenen.1 In de wettekst van artikel 2:239 lid 5 BW vindt men slechts terug dat bestuurders van een BV zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming dienen te richten.2 Echter, een verdere (wettelijke) omschrijving van het begrip vennootschappelijk belang ontbreekt. In de vele discussies in de Nederlandse rechtspraktijk is een aantal benaderingen van het vennootschappelijk belang ontstaan, waarvan twee in het oog springen: de holistische benadering en de resultante-benadering.
De holistische benadering van het vennootschappelijke belang houdt in dat dit belang wordt gezien als ‘het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezondebestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel’.3 Deze omschrijving van het vennootschappelijk belang is ontwikkeld door degene die het fenomeen heeft geïntroduceerd in het Nederlandse rechtsstelsel: Maeijer. Maeijer heeft de aanduiding ‘holistische benadering’ echter zelf nooit gebruikt; deze benaming werd later gebruikt door Mendel.4 Mettertijd heeft Maeijer aan zijn omschrijving van het vennootschappelijk belang toegevoegd dat het belang van het (vennootschappelijk) voortbestaan geen absolute grootheid noch een doel op zichzelf is.5
Wanneer het vennootschappelijk belang vanuit de holistische visie wordt benaderd, omvat dit ook de belangen van de in de vennootschap werkzame werknemers, alsmede de continuïteit van de onderneming.6
Ook Slagter is voorstander van de holistische benadering van het vennootschappelijk belang. Volgens hem is het vennootschappelijk belang geen resultante van de afweging van de verschillende deelbelangen. Zijns inziens heeft de vennootschap als rechtspersoon een eigen vennootschappelijk belang, hetgeen slechts deels afhankelijk is van de daarbij betrokken deelbelangen. Het vennootschappelijk belang wordt ingekleurd door het doel van de vennootschap, aldus Slagter.7
Andere voorstanders van de holistische benadering van het vennootschappelijk belang zijn: Langman,8 Mendel,9 Assink10 en Eijsbouts en Kemp.11
Een andere wijze van benadering van het vennootschappelijk belang is de resultante - benadering. In deze visie wordt het vennootschappelijk belang gezien als het resultaat van de afweging van de in aanmerking komende deelbelangen, waaronder het aandeelhoudersbelang en het belang van de werknemers. Voorstanders van deze benadering menen dat Maeijer het vennootschappelijk belang teveel verzelfstandigt als een afzonderlijk – naast de belangen van de aandeelhouders en andere belanghebbenden – staand belang.12 Het gaat hier om: Van der Grinten,13 Dortmond,14 Van Schilfgaarde15 en Nieuwe Weme en Van Solinge.16 Ook mijn voorkeur gaat uit naar de resultante-benadering, aangezien hierbij rekening wordt gehouden met de verschillende deelbelangen, ook separaat beschouwd, als gevolg waarvan weloverwogen besluitvorming in het kader van de vennootschap plaats kan vinden. Wanneer aan een vennootschap een onderneming verbonden is, dient naar mijn mening de continuïteit van de vennootschap als primair belang te worden aangemerkt.17
Naast deze twee in het oog springende benaderingen van het vennootschappelijke belang bestaan er andere zienswijzen. Van Ginneken en Timmerman zijn voorstanders van een combinatie van de holistische en resultante-benadering, waarbij zij onder het vennootschappelijk belang verstaan het creëren van lange termijn aandeelhouderswaarde, waarbij alle betrokken deelbelangen worden afgewogen.18 Ook Verdam verdedigt deze gecombineerde opvatting19 van het vennootschappelijk belang, waarbij hij de ondernemende vennootschap als renderende onderneming voorop stelt, ook ten aanzien van het aandeelhoudersbelang.20