Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.4.4:2.4.4 De normatieve betekenis van bedrijfseconomische inzichten
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.4.4
2.4.4 De normatieve betekenis van bedrijfseconomische inzichten
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403510:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de hiervoor besproken theorieën een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de zoektocht naar de optimale kapitaalstructuur, is het communis opinio dat de bedrijfseconomie er vooralsnog niet in geslaagd is een sluitende theorie inzake ondernemingsfinanciering te formuleren.1 Bedrijfseconomische wetenschappers wijzen erop dat de grote verscheidenheid aan financieringstheorieën heeft geleid tot een lappendeken van verschillende modellen die zich soms problematisch tot elkaar verhouden. Deze lappendeken kan behulpzaam zijn bij het verklaren van vermogensstructuurkeuzes die in de praktijk worden waargenomen, maar blijkt vaak weinig richtinggevend voor de praktijk.
Zo overwoog de econoom Duffhues bij zijn afscheid:
“Financiering is met de algemeen-economen Modigliani/Miller in 1958 een tamelijk abstracte weg ingeslagen die veel fundamentele maar wel zeer algemene inzichten heeft opgeleverd. Ze biedt onvoldoende inzicht aan functionarissen in de praktijk omdat die praktijk niet beantwoordt aan het model van de perfecte vermogensmarkt. In de werkelijkheid ‘zwemmen’ ondernemingen in de imperfecties”.2
Nu een optimale financieringstheorie ontbreekt, kan aan de hiervoor besproken bedrijfseconomische inzichten weinig normatieve betekenis worden toegekend. Het is niet mogelijk om op basis van uitsluitend bedrijfseconomische argumenten normatieve uitspraken te doen over de wijze waarop aandeelhouders de vennootschap dienen te financieren. Wél kan op basis van de voorgaande analyse worden geconcludeerd dat er rationele prikkels kunnen bestaan voor aandeelhouders om te financieren met vreemd vermogen, terwijl dat risico’s meebrengt voor de continuïteit van de vennootschap. Nu de risico’s die voortvloeien uit een riskante financieringsstructuur niet alleen voor rekening komen van de aandeelhouder, maar tevens, en soms zelfs met name, gedragen worden door de overige bij de vennootschap betrokken partijen, rijst de vraag of het recht grenzen dient te stellen aan de financieringsvrijheid van de aandeelhouder. In hoofdstuk 3 zal daarom worden bezien op welke wijze de aandeelhouder deze partijen kan benadelen door een riskante vermogensstructuur in het leven te roepen. Eerst zal in de volgende paragraaf nader worden ingegaan op de ontwikkeling van schuldfinanciering in de praktijk, aan de hand van de leveraged buyout.