Het inzagerecht
Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.4:2.4 Conclusies uit de parlementaire geschiedenis
Archief
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.4
2.4 Conclusies uit de parlementaire geschiedenis
Documentgegevens:
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS456384:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het onderzoek in dit hoofdstuk naar de geschiedenis van het inzagerecht blijkt dat dit recht al vroeg in de belangstelling stond. De inhoud en het bereik van het inzagerecht hing sterk af van welk beginsel de wetgever op dat moment vooropstelde. Indien de wetgever de waarheidsvinding voorop stelde, was sprake van een ruim inzagerecht. Het beginsel dat niemand verplicht is mee te werken om bewijs tegen zichzelf of te zijnen nadeel bij te brengen verdween dan achter de coulissen. Indien de wetgever van mening veranderde, kreeg het recht een beperktere inhoud. Een afweging van de twee beginselen waarbij werd geprobeerd om een zo evenwichtig mogelijke balans te vinden, was zeker in de 19" en het begin van de 20' eeuw nog niet duidelijk aan de orde.
De rechtspraak had een lange aanloop voordat duidelijk werd welke personen recht hadden op inzage. Uiteindelijk oordeelt de Hoge Raad in het arrest van 20 mei 1921, NJ 1921, p. 788 e.v. dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de bevoegdheid tot het vorderen van uitlevering wilde toekennen aan een ieder, die op het stuk als bewijsstuk enig recht kan doen gelden.
Met de ontwikkeling van de mededelingsverplichtingen in het materiële recht ongeveer halverwege de 20" eeuw, werd ook meer aandacht besteed aan mede-delingsverplichtingen in het procesrecht. Het lijkt erop dat de woorden van Eggens uit 1933, 'het beginsel 'nemo cogitur edere contra se' is niet meer van deze tijd', breed worden gedragen. Een duidelijke aanwijzing waarom niet vaker een beroep werd gedaan op het inzagerecht ondanks de maar liefst drie proefschriften aan het eind van de 19" eeuw, behalve dan de jarenlang bestaande gedachte dat het stuk waarin inzage werd gevorderde gemeenschappelijk eigendom moest zijn, heb ik niet gevonden.
Bij de herziening en herplaatsing van het bewijsrecht naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in 1988 heeft de wetgever zich onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijkheden van het inzagerecht. De wetgever heeft de grote bewijsrechtelijke implicaties niet begrepen, hetgeen blijkt uit het feit dat het inzage-recht is verstopt in art. 843a Rv, waarbij de wetgever in eerste instantie ook nog eens zonder enige tekst of uitleg een grote beperking aanbracht door op te nemen dat slechts inzage gevraagd kon worden van onderhandse aktes. Er is vervolgens zo zelden een beroep gedaan op dit artikel, dat de rechtspraak nooit de kans heeft gehad om dit feilen aan de kaak te stellen en te oordelen dat hier sprake is van een onbedoelde beperking.
Bij de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in 2002 wordt de inhoud van het inzagerecht verruimd. Veel tekst en uitleg wordt er niet bij verschaft. Het is juist zo dat de wetgever het nodige over het inzagerecht uitlegt op plaatsen waar dat niet meteen voor de hand ligt. Uit de verschillende parlementaire stukken die hiervoor aan de orde zijn geweest, lijken de volgende conclusies getrokken te kunnen worden:
De rechter mag niet op eigen houtje op onderzoek uitgaan en stukken opvragen;
Het is de rechter niet mogelijk om een bevel te geven om in het algemeen al die bescheiden over te leggen die betrekking op de zaak zouden kunnen hebben;
Uit art. 843a Rv vloeit niet de verplichting voort om stukken ten behoeve van andere partijen te bewaren;
Op grond van dit artikel kan een werknemer die stelt dat zijn werkgever discrimineert, bijvoorbeeld op grond van geslacht, inzage in de administratie van zijn werkgever vragen;
De woorden 'bepaalde bescheiden' geven voor sommige casusposities, in elk geval voor schadevorderingen wegens schending van de communautaire anti-trustregels, een ongewenste beperking;
Met de zinsnede 'bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn' in lid 1 worden aanzienlijk (?) minder bescheiden bedoeld dan met de zinsnede 'bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt' in art. 1019a lid 2 Rv.